Art. 22 Verordening (EEG) nr. 1408/71
Verblijf buiten het grondgebied van de bevoegde Staat - Terugkeer of overbrenging van de woonplaats naar het grondgebied van een andere Lid-Staat tijdens ziekte of moederschap - Noodzaak om zich voor behandeling naar het grondgebied van een andere Lid-Staat te begeven
1. De werknemer die aan de door de wettelijke regeling van de bevoegde Staat gestelde voorwaarden voor het recht op prestaties voldoet, eventueel met inachtneming van artikel 18, en
a) wiens toestand het nodig maakt dat onmiddellijk verstrekkingen worden verleend gedurende het verblijf op het grondgebied van een andere Lid-Staat, of
b) die, nadat hij voor rekening van het bevoegde orgaan in het genot van prestaties is gesteld, van dit orgaan toestemming heeft ontvangen om terug te keren naar het grondgebied van de Lid-Staat, waarop hij woont, dan wel om zijn woonplaats naar het grondgebied van een andere Lid-Staat over te brengen, of
c) die van het bevoegde orgaan toestemming heeft ontvangen om zich naar het grondgebied van een andere Lid-Staat te begeven ten einde aldaar een voor zijn gezondheidstoestand passende behandeling te ondergaan, heeft recht op:
i) verstrekkingen, welke voor rekening van het bevoegde orgaan door het orgaan van de woon- of verblijfplaats worden verleend, volgens de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling, alsof deze werknemer bij laatstbedoeld orgaan was aangesloten; het tijdvak gedurende hetwelk de verstrekkingen worden verleend, wordt evenwel bepaald door de wettelijke regeling van de bevoegde Staat;
ii) uitkeringen, welke door het bevoegde orgaan worden verleend volgens de door dit orgaan toegepaste wettelijke regeling. Na overeenstemming tussen het bevoegde orgaan en het orgaan van de woon- of verblijfplaats kunnen deze uitkeringen evenwel door laatstbedoeld orgaan voor rekening van het eerstbedoelde worden verleend volgens de wettelijke regeling van de bevoegde Staat.
2. De op grond van lid 1, sub b), vereiste toestemming mag slechts worden, geweigerd wanneer is vastgesteld, dat de verplaatsing van de betrokkene nadelig is voor zijn gezondheidstoestand of voor het ondergaan van de geneeskundige behandeling.
De op grond van lid 1, sub c), vereiste toestemming mag niet worden geweigerd wanneer de desbetreffende behandeling niet op het grondgebied van de Lid-Staat, waarop hij woont, aan de betrokkene kan worden gegeven.
3. De leden 1 en 2 zijn ten aanzien van de verstrekkingen eveneens op de gezinsleden van een werknemer van toepassing.
4. Wanneer lid 1 op de werknemer wordt toegepast, heeft dit geen invloed op het recht op prestaties van zijn gezinsleden.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- Rb. Amsterdam 12 september 2007, ECLI:NL:RBAMS:2007:BB7533
- CRvB 25 januari 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AV0594
- CRvB 11 januari 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AV0327
- CRvB 7 december 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AU8833
- CRvB 11 oktober 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AU4842
- CRvB 11 oktober 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AU4838
- CRvB 11 oktober 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AU4833
- CRvB 11 oktober 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AU4831
- CRvB 11 oktober 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AU4824
- CRvB 20 juli 2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AQ6277
- CRvB 18 juni 2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AP5534
- CRvB 18 juni 2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AP5374