Art. 6 Richtlijn 67/548/EEG
1. De Lid-Staten treffen de nodige maatregelen opdat de gevaarlijke stoffen slechts op de markt mogen worden gebracht indien hun verpakking , wat het kenmerken betreft , voldoet aan de volgende voorschriften .
2. Op elke verpakking moeten de volgende aanduidingen voorkomen :
_ de naam van de stof ,
_ de oorsprong van de stof ,
_ de aanduidingen en symbolen van de gevaren verbonden aan het gebruik van de stof ,
_ een verwijzing naar de bijzondere gevaren .
a) De stof moet worden vermeld onder een van de namen uit de lijst van bijlage I ;
b) De aanduiding van de oorsprong omvat de naam en het adres van de fabrikant , van de handelaar of van de importeur ;
c) Als symbolen en aanduidingen van de gevaren dienen te worden gebruikt :
_ ontplofbaar : een detonerende bom ( E )
_ oxyderend : een vlam boven een cirkel ( O )
_ licht ontvlambaar : een vlam ( F )
_ vergiftig : een doodskop met gekruiste doodsbeenderen ( T )
_ schadelijk : een Andreaskruis ( Xn )
_ corrosief : de afbeelding van een inwerkend zuur ( C )
_ irriterend : een Andreaskruis ( Xi ) .
De symbolen dienen overeen te stemmen met het bepaalde in bijlage II ; zij moeten in zwart op een oranjegele ondergrond worden gedrukt .
d) De aard van de bijzondere gevaren verbonden aan het gebruik van de stoffen dient te zijn aangegeven met één of meer der standaardzinnen , die , overeenkomstig de aanduidingen in de lijst van bijlage I , voorkomen in bijlage III van deze richtlijn .
3. Indien op of bij de verpakking veiligheidsaanbevelingen voor het gebruik van de stoffen worden gevoegd , moeten deze , overeenkomstig de aanduidingen in de lijst van bijlage I , aan bijlage IV van deze richtlijn worden ontleend .