ABRvS 3 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3199
Bij e-mailbericht van 3 juli 2023 heeft de deken van de Amsterdamse Orde van Advocaten [appellant] medegedeeld dat geen aanleiding bestond om in dit geval een minnelijke regeling te beproeven. [appellant] heeft op grond van artikel 46c van de Advocatenwet zowel in 2010 als op 5 december 2022 een klacht ingediend tegen een advocaat. De klacht is door de deken in behandeling genomen en behandeld. Op 21 december 2022 en op 16 mei 2023 heeft [appellant] de deken verzocht om bemiddeling. Bij e-mail van 23 mei 2023 heeft de deken [appellant], onder verwijzing naar eerdere berichten, laten weten dat er geen aanleiding bestaat om te bemiddelen in het kader van de afhandeling van de klacht van [appellant]. De deken heeft [appellant] erop gewezen dat hij, indien hij het niet eens is met de visie van de deken, om doorzending van de klacht naar de Raad van Discipline kan vragen. De klacht is ook voorgelegd aan de Raad van Discipline. Op 19 september 2023 heeft de voorzitter van de Raad van Discipline uitspraak gedaan en de klacht niet-ontvankelijk verklaard.
De uitspraak op rechtspraak.nl