ABRvS 12 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:542

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam heeft verschillende verkeersbesluiten genomen waartegen [appellante A] en/of [appellant B] bezwaar hebben gemaakt. [appellant B] is in 1956 aan de [locatie 1] in Amsterdam begonnen met een onderneming die zich richtte op het transport van melkbussen. Gaandeweg is de onderneming uitgebreid en is zij zich ook gaan richten op andere transporten met grote vrachtvoertuigen. [zoon], de zoon van [appellant B], is in 1993 een eenmanszaak begonnen waarbij hij dat transportdeel van de onderneming van [appellant B] heeft overgenomen. Vervolgens is op 24 maart 1998 [appellante A], een commanditaire vennootschap, opgericht. Volgens het uittreksel van de Kamer van Koophandel voert [appellante A] een handelsonderneming die onder andere vrachtvoertuigen verhuurt, leaset en repareert. De vennoot van [appellante A] is de op dezelfde datum opgerichte [stichting], waarvan [zoon] de enige bestuurder is. Zowel [appellante A] als [stichting] waren ten tijde hier van belang gevestigd aan de [locatie 1].

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken