ABRvS 21 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2337
Betrokkene heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om haar, mede voor haar kinderen, een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen. Deze uitspraak gaat over de beslistermijn die de rechter stelt na gegrondverklaring van een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om verlening van een mvv voor nareis. De Afdeling heeft eerder richtinggevende uitspraken gedaan over de lengte van de beslistermijn in dergelijke beroepen, zie de uitspraken van 3 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2643 en ECLI:NL:RVS:2024:2644. In die uitspraken heeft de Afdeling de beslistermijnen, zoals die nu ook in de uitspraak van de voorzieningenrechter zijn gesteld, geschikt geacht als uitgangspunt. In de uitspraak van vandaag gaat het, anders dan in de uitspraken van 3 juli 2024, over de betekenis van het ‘first in, first out’-principe (fifo-principe), dat de minister inmiddels toepast bij de behandeling van nareisaanvragen. Dit betekent dat zij nareisaanvragen op volgorde van binnenkomst oppakt.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- ABRvS 26 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1301
- Rb. Den Haag 16 augustus 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:13031
- ABRvS 3 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2643
- ABRvS 3 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2644
- ABRvS 23 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3209
- Rb. Den Haag 17 maart 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:3590
- ABRvS 20 oktober 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2348
- ABRvS 8 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1560