ABRvS 26 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1301
Bij besluit van 25 mei 2022, met kenmerk UHT-DC-1A, heeft de Dienst Toeslagen het verzoek van [appellant] om compensatie vanwege institutionele vooringenomenheid ten aanzien van het toeslagjaar 2008 afgewezen. Deze uitspraak gaat over de termijn waarbinnen de Dienst Toeslagen bij een gegrond beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit alsnog een besluit bekend moet maken en de hoogte van de nadere dwangsom die daarbij geldt. Het gaat daarbij om besluiten op bezwaar. De nadere termijn en de hoogte van de dwangsom zoals die in deze uitspraak worden bepaald gelden alleen in het kader van de hersteloperatie toeslagen, gelet op de uitzonderlijke context waarvan sprake is bij de hersteloperatie en de totstandkoming van de Wet hersteloperatie toeslagen. [appellant] is een gedupeerde ouder van de toeslagenaffaire. Zij heeft de Dienst Toeslagen verzocht om compensatie voor de toeslagjaren 2008 tot en met 2011. De Dienst Toeslagen heeft naar aanleiding daarvan op 25 mei 2022 de drie besluiten genomen. [appellant] heeft daartegen bezwaar gemaakt. Omdat een besluit op bezwaar uitbleef, heeft [appellant] beroepen ingesteld gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
De uitspraak op rechtspraak.nl