ABRvS 30 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3291

Bij besluit van 3 maart 2020 heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid [appellante] een boete opgelegd van € 1.250,00 wegens het niet tijdig voldoen aan de inburgeringsplicht bedoeld in artikel 7b, eerste lid, van de Wet inburgering. In een brief van 4 juli 2014 heeft de minister [appellante] laten weten dat zij inburgeringsplichtig is. Haar inburgeringstermijn is op 10 juni 2014 gestart en zij moest voor 9 juni 2017 aan haar inburgeringsplicht voldoen. De minister heeft deze termijn verlengd tot en met 5 september 2019, omdat er medische redenen waren waarom [appellante] twaalf maanden geen onderwijs kon volgen. Omdat [appellante] vervolgens niet op tijd aan de inburgeringsplicht heeft voldaan, heeft de minister haar een boete opgelegd. In hoger beroep zijn partijen het erover eens dat de minister [appellante] terecht een boete heeft opgelegd. Deze uitspraak gaat alleen over de hoogte van de boete.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen