ABRvS 21 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3867

Bij besluit van 27 mei 2020 heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid het verzoek van [appellante] om verlenging van de inburgeringstermijn afgewezen. De minister heeft [appellante] bij brief van 28 november 2016 meegedeeld dat zij inburgeringsplichtig is, haar inburgeringstermijn op 28 oktober 2016 is gestart en zij vóór 24 november 2019 aan deze plicht moet hebben voldaan. [appellante] heeft de minister bij brief van 5 oktober 2019 verzocht om de inburgeringstermijn te verlengen, omdat zij door een ernstig tekort aan vitamine D niet in staat was om een inburgeringscursus te volgen voor een periode van vier tot vijf maanden. Zij heeft ook een machtiging voor het opvragen van gezondheidsgegevens naar de minister gestuurd. [appellante] heeft daarnaast aangegeven dat zij in september 2019 is begonnen met een inburgeringscursus op taalniveau B2, maar dat de studiebelasting zo hoog is dat zij niet op korte termijn toekomt aan de inburgeringsexamens. De minister heeft haar verzoek bij brief van 22 november 2019 afgewezen, omdat [appellante] niet verplicht is om in te burgeren op het hogere taalniveau B2. Hij heeft verder meegedeeld dat haar verzoek om verlenging wegens ziekte nog in behandeling is.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken