ABRvS 31 maart 2021, ECLI:NL:RVS:2021:684
Bij besluit van 11 december 2019 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid het Nederlanderschap van [appellant] ingetrokken. [appellant] heeft op 11 juni 2015 een verzoek om verlening van het Nederlanderschap ingediend. Hij beschikte op dat moment over een verblijfsvergunning regulier onder de beperking 'verblijf bij [partner A]'. Het verzoek is ingewilligd bij Koninklijk Besluit van 8 februari 2016. Op 19 maart 2017 heeft [appellant] een mvv-aanvraag ingediend voor zijn partner [partner B]. Verzoeker heeft in deze mvv-aanvraag toegelicht dat hij sinds 28 november 2011 een liefdesrelatie met haar heeft en dat hij op 16 april 2012 om haar hand heeft gevraagd. De staatssecretaris heeft het Nederlanderschap van [appellant] ingetrokken, omdat hij bij het indienen van het verzoek niet had gemeld dat hij sinds 28 november 2011 een liefdesrelatie onderhield met [partner B]. Indien [appellant] dit wel had gemeld zou hij het Nederlanderschap niet hebben verkregen.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- ABRvS 16 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2980
- ABRvS 4 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4100
- ABRvS 11 september 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3087
- ABRvS 7 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2719
- EHRM 12 juni 2018, ECLI:CE:ECHR:2018:0612JUD000754909
- ABRvS 18 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1298
- ABRvS 9 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2955
- EHRM 11 oktober 2011, ECLI:CE:ECHR:2011:1011JUD005312409
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2010:104