ABRvS 7 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2392
Bij besluit van 11 januari 2018 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid het Nederlanderschap van [appellante] ingetrokken. [appellante] heeft de Surinaamse nationaliteit. De staatssecretaris heeft aan de intrekking van het Nederlanderschap ten grondslag gelegd dat [appellante] bij het afleggen van de optieverklaring niet heeft vermeld dat er een procedure liep om haar verblijfsvergunning in te trekken. Hierdoor heeft zij volgens de staatssecretaris tijdens de optieprocedure een relevant feit verzwegen waarvan zij wist, althans redelijkerwijs kon vermoeden, dat dat van belang was voor de beoordeling van het optieverzoek. Indien ten tijde van het afleggen van de optieverklaring bij de burgemeester bekend zou zijn geweest dat er een voornemen bestond om haar verblijfsvergunning in te trekken, had de burgemeester de optieverklaring niet bevestigd. Immers zouden er dan volgens de staatssecretaris bedenkingen tegen haar toelating voor onbepaalde tijd in Nederland bestaan.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- ABRvS 24 juni 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1460
- ABRvS 17 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:990
- EHRM 12 juni 2018, ECLI:CE:ECHR:2018:0612JUD000754909
- ABRvS 2 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2912
- ABRvS 4 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:662
- EHRM 3 oktober 2014, ECLI:CE:ECHR:2014:1003JUD001273810
- EHRM 11 oktober 2011, ECLI:CE:ECHR:2011:1011JUD005312409
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2010:104
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2019:189