ABRvS 24 juni 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1460
Bij besluit van 14 augustus 2018 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid het verzoek van [appellante] om haar het Nederlanderschap te verlenen afgewezen. De staatssecretaris heeft aan [appellante] met ingang van 21 december 2011, geldig tot 21 december 2016, een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking gezinshereniging bij haar [vader] verleend. Vervolgens heeft [appellante] op 30 november 2016 verzocht om verlenging van deze verblijfsvergunning. De staatssecretaris heeft bij besluit van 27 maart 2017 de verblijfvergunning verlengd met ingang van 21 maart 2017. Bij brief van 14 november 2018 heeft de staatssecretaris [appellante] geïnformeerd over zijn voornemen om haar verblijfsvergunning in te trekken.
De uitspraak op rechtspraak.nl