ABRvS 26 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2047
Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam heeft de uitkering op grond van de Wet werk en bijstand aan [appellant sub 2] met ingang van 30 april 2012 ingetrokken, omdat zij sinds die datum een gezamenlijke huishouding voerde met [appellant sub 1] en dit niet bij het college had gemeld. De tegemoetkoming aan [appellant sub 2] in de kosten van kinderopvang is bij het besluit van 2 oktober 2012 met ingang van 30 april 2012 ingetrokken omdat [appellant sub 2] sindsdien niet meer tot de doelgroep van artikel 1.22 van de Wet kinderopvang behoorde en zij daarom op grond van artikel 2 van de Verordening Kinderopvang [appellant sub 1] geen aanspraak meer op die tegemoetkoming maakte. De rechtbank heeft in de uitspraak van 9 juli 2013 het beroep van [appellant sub 2] tegen het besluit over de intrekking van de bijstandsuitkering ongegrond verklaard.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 34 IOAW
- Artikel 34 IOAZ
- Artikel 8:73 Awb
- Artikel 3.78 Wet IB 2001
- Artikel 2.8 WSF 2000
- Artikel 2.11 WSF 2000
- Artikel 30a SUWI
- Artikel 7 Participatiewet
- Artikel 17 Participatiewet
- Artikel 18 Participatiewet
- Artikel 58 Participatiewet
- Artikel 59 Participatiewet
- Artikel 60 Participatiewet
- Artikel 1.22 Wko
- Artikel 1.38 Wko
- Artikel 19 Wib
- Artikel 29 Wib