ABRvS 26 maart 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ8704

Uit de geschiedenis van de totstandkoming van art. 72, lid 3 Vw 2000 (Kamerstukken II 1998/99, 26 732, nr. 3, blz. 35 en 71) kan worden afgeleid dat de wetgever gezien deze strekking van de meeromvattende beschikking niet heeft beoogd zonder meer bezwaar tegen de feitelijke uitzetting mogelijk te maken. De mogelijkheid tot het maken van bezwaar krachtens art. 72, lid 3 Vw 2000 is beperkt tot een bezwaar over de wijze waarop de staatssecretaris van de bevoegdheid tot uitzetting gebruik maakt. Daarnaast is het maken van bezwaar krachtens die bepaling bij uitzondering mogelijk indien de situatie ten tijde van de feitelijke uitzetting dusdanig verschilt van die ten tijde van het besluit tot afwijzing, buitenbehandelingstelling of intrekking, dat niet langer onverkort van de rechtmatigheid van de feitelijke uitzetting kan worden uitgegaan. Nu de Afdeling in hoger beroep uitspraak heeft gedaan over de rechtmatigheid van de besluiten tot afwijzing van de asielaanvragen en de vreemdelingen zowel bezwaar maken tegen de wijze waarop de staatssecretaris van zijn bevoegdheid tot uitzetting gebruik maakt als aanvoeren dat de situatie ten tijde van de feitelijke uitzetting dusdanig verschilt van de situatie ten tijde van de besluiten dat niet langer kan worden uitgegaan van de rechtmatigheid van de uitzetting moest de staatssecretaris, gelet op hetgeen onder 2.3. is overwogen en omdat het bezwaarschrift voldoet aan de eisen van art. 6:5 Awb, het bezwaarschrift ontvangen en inhoudelijk beoordelen. De overweging van de Rb., zoals weergegeven in 2.1. en die strookt met de uitspraak van de Afdeling van 2 juli 2004 in zaak nr. 200400554/1 (LJN: AQ3671) kan daarom in zoverre niet langer worden gevolgd. Het hoger beroep is reeds hierom kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. De grieven behoeven geen bespreking. Doende hetgeen de Rb. zou behoren te doen, wordt als volgt overwogen. Om aannemelijk te maken dat niet langer van de rechtmatigheid van de uitzetting kan worden uitgegaan, als hiervoor onder 2.3. bedoeld, moet de vreemdeling in het kader van zijn bezwaar tegen de feitelijke uitzetting nieuwe feiten en omstandigheden aanvoeren ten opzichte van hetgeen hij tegen het besluit tot afwijzing, buitenbehandelingstelling of intrekking heeft aangevoerd, en hij, gelet op art. 4:2, lid 2 Awb en art. 31, lid 1 Vw 2000, behoorde aan te voeren. Is hetgeen de vreemdeling aanvoert niet nieuw dan wel niet relevant voor de beoordeling van de rechtmatigheid van de uitzetting, dan kan dit niet tot een geslaagd rechtsmiddel tegen de feitelijke uitzetting leiden, tenzij de vreemdeling aantoont dat het gaat om een geval als omschreven in rechtsoverweging 45 van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, Bahaddar tegen Nederland, van 19 februari 1998, nr. 145/1996/764/965, JV 1998/45 (hierna: het arrest Bahaddar). Vorenstaande vereisten gelden niet in het geval de vreemdeling de wijze waarop de staatssecretaris feitelijk zijn bevoegdheid tot uitzetting aanwendt en effectueert als hiervoor onder 2.3 bedoeld niet aan de orde had kunnen en derhalve had moeten stellen in het kader van een besluit als vorenbedoeld, bijvoorbeeld omdat de herkomst van de vreemdeling niet bekend is (uitspraak van de Afdeling van 9 juni 2011 in zaak nr. 201010753/1/V2; LJN: BQ7947).

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen