Rb. Den Haag 6 juli 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:8076
Spoedvovo, uitzetting, verblijfsdocument EU/EER, Chavez/Vilchez Artikel 9, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000 Samenvatting: Afwijzing van de verzoeken om een voorlopige voorziening i.h.k.v. besluit op aanvraag om afgifte verblijfsdocument EU/EER en bezwaar feitelijke uitzetting. Verzoeker en verzoekster verblijven naar eigen zeggen sinds 2001 in Nederland. Tijdens dat verblijf zijn hun drie kinderen geboren. Op 11 juni 2013 hebben zij hun eerste aanvraag om een verblijfsvergunning ingediend. Deze aanvraag is afgewezen. Ook is bepaald dat verzoekers Nederland dienen te verlaten en is tegen verzoeker en verzoekster een inreisverbod uitgevaardigd voor de duur van twee jaar. Vervolgens hebben verzoekers meerdere verblijfsrechtelijke procedures doorlopen die niet hebben geleid tot verlening van een verblijfsvergunning. Op 7 februari 2018 hebben verzoekers verzocht om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER op grond van het arrest Chavez-Vilchez van het Hof van Justitie van de Europese Unie omdat zij verblijf beogen bij twee familieleden met de Nederlandse nationaliteit (referenten). In dat verband hebben zij verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Vervolgens is aan verzoekers gemeld dat hun uitzetting gepland staat op 7 juli 2018. Daar hebben zij bezwaar tegen gemaakt en ook in dat kader de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder aan verzoekers terecht niet het gevraagde verblijfsdocument heeft afgegeven. De referenten zijn namelijk geen kinderen van verzoeker en verzoekster en zijn niet van hen afhankelijk, zoals bedoeld in het arrest Chavez-Vilchez. Wat verzoekers hebben aangevoerd over het recht op familieleven (artikel 8 van het EVRM) kan niet in deze procedure over dit verblijfsdocument aan de orde worden gesteld. De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat niet gebleken is van belemmeringen die aan de feitelijke uitzetting van verzoekers in de weg staan. De bevoegdheid om verzoekers uit te zetten volgt uit de eerdere besluitvorming van verweerder van 11 juni 2013. In dat besluit, maar ook in de besluitvorming daarna zijn veel van de door verzoekers aangevoerde omstandigheden reeds aan bod gekomen en is geconcludeerd dat zij geen beletsel vormen voor de feitelijke uitzetting. Wat verzoekers nu in deze procedure nog aanvullend hebben aangevoerd geeft geen andere kijk hierop. Dat verzoekers naar eigen zeggen in Nederland geworteld zijn is onvoldoende aanknopingspunt om niet langer onverkort van de rechtmatigheid van de feitelijke uitzetting uit te kunnen gaan. De voorzieningenrechter is verder niet gebleken van medische omstandigheden die aan uitzetting in de weg staan.
De uitspraak op rechtspraak.nl