ABRvS 8 april 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ7683
Zoals de Rb. terecht heeft overwogen, is het uitgangspunt in art. 5, lid 3 van de richtlijn dat een verzoek tot gezinshereniging buiten het grondgebied van de lidstaat van verblijf van de gezinshereniger wordt ingediend. De Rb. heeft dan ook terecht overwogen dat geen aanleiding bestaat om te oordelen dat Nederland geen vrijheid heeft om van vreemdelingen die zich hier te lande bevinden en die aan alle materiële vereisten voor uitoefening van het recht op gezinshereniging voldoen - hetgeen thans overigens nog niet is vastgesteld - te vergen dat zij daarnaast ook voldoen aan het mvv-vereiste. Immers, indien uitoefening van dit recht alleen afhankelijk zou kunnen worden gesteld van de vraag of de vreemdeling voldoet aan de materiële vereisten, opgenomen in hoofdstuk IV en art. 16, zouden de vereisten in hoofdstuk III niet zijn opgenomen, noch reden bestaan om uitzonderingsmogelijkheden in de vorm van 'passende gevallen' in art. 5, lid 3 van de richtlijn op te nemen. Deze uitleg wordt ondersteund door de toelichting bij het voorstel voor de richtlijn (COM(1999) 638 definitief). In dit voorstel bepaalt art. 7, lid 2, dat in afwijking van het bepaalde in het eerste lid strekkende tot indiening van het verzoek wanneer het gezinslid zich buiten het grondgebied van de lidstaat bevindt, de betrokken lidstaat in bijzondere gevallen of op grond van humanitaire overwegingen verzoeken onderzoekt die tijdens het verblijf van het gezinslid op zijn grondgebied zijn ingediend. De toelichting op dit artikellid (zie voormeld COM-document, p. 19) stelt dat de gezinshereniger zijn verzoek moet indienen wanneer de leden van zijn gezin zich buiten het grondgebied bevinden, en dat in bijzondere gevallen deze regel kan worden versoepeld, met name wanneer het gezinslid zich al met een andere verblijfstitel op het grondgebied bevindt en alleen maar een andere status hoeft te krijgen, of op humanitaire gronden, bijvoorbeeld bij een kind wiens enige ouder de gezinshereniger is. Nu het uiteindelijke art. 5, lid 3 van de richtlijn van het voorgestelde art. 7, lid 2, slechts in zoverre verschilt dat wordt gesproken van 'passende gevallen' en dat daarin de afwijking van de hoofdregel als een facultatieve bepaling ('kan') is geformuleerd, kan uit deze toelichting ook voor de uitleg van art. 5, lid 3 van de richtlijn worden afgeleid dat de indiening van het verzoek buiten de lidstaat de hoofdregel vormt (zie naar analogie het arrest van het Hof van 21 april 2005, C-267/03, Lindberg, punt 61 e.v.; www.curia.europa.eu). De Rb. heeft aldus met juistheid overwogen dat ook in de totstandkomingsgeschiedenis van art. 5, lid 3 van de richtlijn geen aanknopingspunten zijn te vinden voor een uitleg zoals de vreemdeling die voorstaat. Voorts heeft de Rb. terecht overwogen dat de nationale regelgeving (…) voldoende ruimte biedt om een individuele afweging te maken of sprake is van dusdanige omstandigheden dat in een concreet geval, ondanks het niet voldoen aan het mvv-vereiste, een beoordeling of de desbetreffende vreemdeling voldoet aan de materiële vereisten dient plaats te vinden. Geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat aldus afbreuk wordt gedaan aan het doel van de richtlijn of het nuttig effect ervan. Er bestaat gelet op het arrest van het Hof van 6 oktober 1982, 283/81, Cilfit, punt 16, (www.curia.europa.eu) geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen, aangezien redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over de wijze waarop de gestelde vraag over de betrokken Unierechtelijke rechtsregel moet worden opgelost.
De uitspraak op rechtspraak.nl