ABRvS 31 oktober 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY1723
Boete wegens overtredingen van art. 2, lid 1 van de Wav. Het gaat bij het opleggen van een boete wegens overtreding van art. 2, lid 1 van de Wav om de aanwending van een bevoegdheid van de minister. De minister moet bij de aanwending van deze bevoegdheid de hoogte van de boete afstemmen op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Daarbij moet rekening worden gehouden met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd. Ingevolge de verplichting hem opgelegd in art. 19d, lid 3 van de Wav heeft de minister beleidsregels vastgesteld waarin de boetebedragen voor de overtredingen zijn vastgesteld. Deze beleidsregels zijn door de Afdeling als zodanig niet onredelijk bevonden (zie onder meer de uitspraak van 23 juni 2010 in zaak nr. 200908558/1/V6, LJN: BM8823). Ook bij de toepassing van de beleidsregels en de daarin vastgestelde boetebedragen dient de minister in elk voorkomend geval te beoordelen of die toepassing strookt met de hiervoor bedoelde eisen die aan de aanwending van de bevoegdheid tot het opleggen van een boete moeten worden gesteld. Indien dat niet het geval is, dient de boete, in aanvulling op of in afwijking van het beleid, zodanig te worden vastgesteld dat het bedrag daarvan passend en geboden is. De rechter toetst zonder terughoudendheid of het besluit van het bestuur met betrekking tot de boete voldoet aan deze eisen en dus leidt tot een evenredige sanctie. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 21 maart 2012, in zaak nr. 200804654/1/V6, LJN: BV9508) is uitgangspunt dat reden bestaat tot matiging van de opgelegde boete indien op basis van de door de beboete werkgever overgelegde financiële gegevens moet worden geoordeeld dat hij door de opgelegde boete onevenredig wordt getroffen. In het besluit van 14 oktober 2010 heeft de minister het standpunt ingenomen dat, samengevat weergegeven, de vennootschap niet onevenredig wordt getroffen en dat rekening is gehouden met haar financiële situatie, aangezien een betalingsregeling van 24 maanden is aangeboden. De Rb. heeft onder verwijzing naar de door de vennootschap overgelegde financiële gegevens geoordeeld dat de vennootschap een geringe draagkracht heeft en dat de minister niet kan worden gevolgd in diens standpunt dat voor matiging van de boete geen aanleiding bestaat. De minister betoogt dat de Rb. ten onrechte heeft overwogen dat de vennootschap door de boete financieel onevenredig wordt getroffen en daarom aanleiding bestaat voor matiging. Dienaangaande heeft hij zich ter zitting bij de Afdeling op het standpunt gesteld dat voor het wegens financiële omstandigheden matigen van een boete in beginsel geen plaats is. Normaliter wordt een betalingsregeling van maximaal 24 maanden aangeboden. Dat is in dit geval ook gebeurd en daarmee kon worden volstaan, aldus de minister. Deze stellingname van de minister is niet in lijn met het toetsingskader dat vergt dat met inachtneming van de door de vennootschap verstrekte financiële gegevens moet worden beoordeeld of de financiële positie van de vennootschap van dien aard is dat, teneinde te komen tot een evenredige sanctie, deze aanleiding geeft tot matiging van het overeenkomstig de Tarieflijst berekende boetebedrag. Het besluit van 14 oktober 2010 geeft er evenmin blijk van te zijn genomen in lijn met voormeld toetsingskader. Gelet op het voorgaande is in het door de minister aangevoerde geen grond gelegen voor het oordeel dat de Rb., mede bezien in het licht van de door de vennootschap overgelegde financiële gegevens, ten onrechte heeft geoordeeld dat de minister bij de oplegging van de boete te kort is geschoten in de vereiste afweging inzake de evenredigheid van die boete en dat de rechtbank ten onrechte aanleiding heeft gezien de boete met inachtneming van dit vereiste alsnog te matigen. Ongegrond hoger beroep.
De uitspraak op rechtspraak.nl