Rb. Oost-Brabant 9 april 2013, ECLI:NL:RBOBR:2013:BZ6641

Trefwoorden: bestuurlijke boete Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag. werkgeverschap, matiging boete tot nihil. Verweerder heeft eiseres een bestuurlijke boete opgelegd van in totaal € 221.000,00 wegens 33 overtredingen van artikel 18b, tweede lid, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wmm). Verweerder heeft eiseres terecht als werkgever van de in de vorderingsbrieven genoemde personen aangemerkt. Nu vaststaat dat eiseres de in de met betrekking tot deze personen gevraagde bescheiden niet heeft overgelegd, heeft eiseres artikel 18b, tweede lid, van de Wmm met betrekking tot die personen overtreden en was verweerder bevoegd eiseres ter zake een boete op te leggen. Eiseres heeft vervolgens aangevoerd dat de boete moet worden gematigd. Daartoe heeft zij onder meer gesteld dat zij niet in staat is de boete te betalen. Uit de door eiseres overgelegde stukken leidt de rechtbank af dat haar woning, haar bedrijf en de daarbij behorende gronden bij openbare verkoop zijn verkocht, zodat de onderneming van eiseres niet langer bestaat. Zij woont momenteel bij haar moeder en heeft geen inkomen. Eiseres is bezig met de aanvraag voor een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand, maar in de toekomst wil zij wel weer gaan werken. Indien zij op enig moment in de toekomst weer een inkomen zal genereren, zal daar wel direct executoriaal beslag op worden gelegd door de Staat. Verweerder heeft het vorenstaande niet betwist en heeft ter zitting ook erkend dat inmiddels wordt aangenomen dat eiseres niets meer heeft, maar dat verweerder niet weet op welke wijze de boete dan moet worden gematigd. Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee voldoende aannemelijk dat eiseres gelet op haar financiële situatie en de hoogte van de opgelegde boete onevenredig wordt getroffen in verhouding tot de met de beleidsregels van verweerder te dienen doelen. Het beroep zal om deze reden gegrond worden verklaard en het bestreden besluit zal worden vernietigd. De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien en de opgelegde boete matigen tot nihil. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat, zoals aangegeven, het bedrijf waarmee eiseres de overtredingen heeft begaan niet langer bestaat, dat eiseres geen middelen heeft en dat zij, zodra zij enig inkomen heeft, alsnog aangesproken zal worden voor een resterende en aanzienlijke schuld door de Staat.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen