ABRvS 19 september 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX7700

Besluit waarbij een vergunning is verleend als bedoeld in art. 8.1 van de Wm voor het veranderen van een varkenshouderij. Appellanten hebben onder meer aangevoerd dat art. 3 van de Wet geurhinder en veehouderij in strijd is met de artikelen 8 en 14 van het EVRM. (…) De Afdeling overweegt daartoe dat volgens vaste jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (onder meer het arrest van 9 december 1994, LJN: AH6193 en het arrest van 8 juli 2003, LJN: AO0091) uit art. 8 EVRM een positieve verplichting voortvloeit om burgers te beschermen tegen de gevolgen van milieuvervuiling. In dergelijke situaties is een "fair balance" tussen individueel en algemeen belang vereist, waarbij aan milieubelangen geen speciale status toekomt. Bij het bepalen van het gewicht van deze belangen heeft de wetgever een beoordelingsmarge. De in art. 3 van de Wet geurhinder en veehouderij opgenomen regels over de bij vergunningverlening toelaatbare geurbelastingen zijn de uitkomst van een afweging tussen een complex van belangen, zowel algemene (milieu)belangen als die van de veehouders enerzijds en de omwonenden anderzijds. Zoals is overwogen heeft de wetgever bij deze afweging een beoordelingsmarge. Hetgeen appellanten aanvoeren, geeft geen grond voor het oordeel dat de wetgever deze beoordelingsmarge heeft overschreden en geeft dus geen grond voor het oordeel dat art. 3 van de Wet geurhinder en veehouderij in strijd is met art. 8 van het EVRM. De Afdeling overweegt verder dat art. 14 van het EVRM niet iedere ongelijke behandeling van gelijke gevallen verbiedt, maar alleen die welke als discriminatie moet worden beschouwd omdat een objectieve en redelijke rechtvaardiging ervoor ontbreekt. Volgens jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (onder meer het arrest van 8 juli 1986, Lithgow en anderen tegen het Verenigd Koninkrijk, nr. 9006/80, Series A102 par. 120) heeft de wetgever bij de bepaling of en tot op welke hoogte verschillen in voor het overige vergelijkbare gevallen een ongelijke behandeling rechtvaardigen, een beoordelingsmarge. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet geurhinder en veehouderij (TK 2005/2006, 30 453, nr. 3, p. 16-18) blijkt dat de wetgever bij het in art. 3 gemaakte onderscheid tussen objecten die enerzijds binnen of buiten de bebouwde kom en anderzijds binnen of buiten concentratiegebieden zijn gelegen, onder meer de geurbeleving en het aantal geurgevoelige objecten met een woon- of verblijffunctie heeft betrokken. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de wetgever, door dit onderscheid te maken, buiten zijn beoordelingsmarge is getreden, zodat geen grond bestaat voor het oordeel dat art. 3 van de Wet geurhinder en veehouderij in dit opzicht in strijd is met art. 14 van het EVRM. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding om art. 3 van de Wet geurhinder en veehouderij wegens strijd met de artikelen 8 en 14 van het EVRM buiten toepassing te laten. (…)

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen