ABRvS 29 augustus 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX5952

Weigering en intrekking van exploitatievergunningen coffeeshops. De Afdeling volgt appellante niet in haar betoog dat de burgemeester het door hem gevoerde beleid heeft gewijzigd en ten onrechte heeft afgezien van het toepassen van het Stappenplan. Handhaving op grond van het Stappenplan is slechts aan de orde indien overtredingen van de zogenoemde AHOJG-criteria worden geconstateerd. De APV biedt de burgemeester de bevoegdheid om een exploitatievergunning te weigeren dan wel in te trekken op grond van het levensgedrag van de exploitant of leidinggevende. In het kader van deze beoordeling kunnen ook feiten en omstandigheden in aanmerking worden genomen die niet samenhangen met de verkoop van softdrugs, hetgeen de burgemeester in dit geval heeft gedaan. Gelet op het ontbreken van een nadere omschrijving van het begrip slecht levensgedrag in de APV beoogt deze kennelijk aan te sluiten bij de terminologie van de Drank- en Horecawet. De Rb. heeft terecht overwogen dat bij of krachtens de Drank- en Horecawet geen nadere omschrijving is gegeven van de eis dat leidinggevenden niet in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn. Gelet hierop zijn geen beperkingen gesteld aan de feiten of omstandigheden, die bij de beoordeling van het levensgedrag mogen worden betrokken. Voorts heeft de Rb. terecht onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 02-02-2011, 201009473/1/H3, LJN: BP2763, geen grond gezien voor het oordeel dat de burgemeester bij de beoordeling van het levensgedrag uitsluitend feiten en omstandigheden mag betrekken die gerelateerd zijn aan de exploitatie van een inrichting. Derhalve mocht de burgemeester het hebben van een voorraad softdrugs buiten de inrichting bij de beoordeling betrekken. Gelet op het feit dat appellante is veroordeeld voor het aanwezig hebben van een aanzienlijke hoeveelheid softdrugs in haar woning en de aanwijzingen dat zij geen belasting heeft afgedragen over het eveneens in haar woning aangetroffen grote geldbedrag in contanten, heeft de burgemeester zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat appellante niet langer niet in enig opzicht van slecht levensgedrag is. Voorts heeft de burgemeester zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat appellante tekort is geschoten in de wijze van bedrijfsvoering, aangezien in haar woning, in het pand waarin coffeeshop A is gevestigd en in de auto van persoon X grote hoeveelheden softdrugs zijn aangetroffen voor de bevoorrading van de coffeeshops. De Rb. heeft verder met juistheid geoordeeld dat de burgemeester zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat als gevolg van het levensgedrag van appellante en de tekortkomingen in de wijze van bedrijfsvoering het woon- en leefklimaat in de omgeving van het horecabedrijf en de openbare orde nadelig worden beïnvloed door de aanwezigheid van het horecabedrijf dan wel dat een gevaar bestaat voor de openbare orde en het woon- en leefklimaat in de omgeving van het horecabedrijf, aangezien bij een exploitatievergunning de persoon van de vergunninghouder van belang is om te waarborgen dat de exploitatie zodanig geschiedt dat daardoor de openbare orde of het woon- en leefklimaat niet op ontoelaatbare wijze wordt beïnvloed. Daarbij is voor de toepassing van de artt. 3.11, lid 2 en 3.24 van de APV niet vereist dat zich daadwerkelijk concrete problemen met betrekking tot het woon- en leefklimaat in de omgeving van het horecabedrijf en de openbare orde door de aanwezigheid van de coffeeshops hebben voorgedaan.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen