Rb. Amsterdam 13 mei 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:2767

Intrekking Drank- en horecawetvergunning en niet verlengen van exploitatievergunning wegens slecht levensgedrag van de exploitant. Er gelden geen beperkingen ten aanzien van feiten of omstandigheden die bij de beoordeling van het levensgedrag mogen worden betrokken. Naast strafrechtelijke veroordelingen en transacties mogen dus ook andere dan in het Besluit eisen zedelijk gedrag Drank- en Horecawet 1999 opgenomen aspecten bij de beoordeling van het levensgedrag van de exploitant worden betrokken, zoals strafbeschikkingen. Binnen de ruime discretionaire bevoegdheid die verweerder bij de beoordeling van de aanvraag van de exploitatievergunning heeft, kon verweerder naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter het algemeen belang dat horecabedrijven worden geëxploiteerd door exploitanten die van goed levensgedrag zijn laten prevaleren boven de gestelde belangen van verzoeker en zijn onderneming.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken