ABRvS 13 juli 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX2090

De op 12 april 2011 opgestelde processen-verbaal bevatten een weergave van de verhoren die hebben plaatsgevonden om de identiteit van de vreemdelingen vast te stellen dan wel hen te confronteren met, en hun vragen te stellen over, de resultaten van het dactyloscopisch onderzoek. Deze processen-verbaal dienen aldus niet ter formalisering van de door de vreemdelingen kenbaar gemaakte wens om aan hen internationale bescherming te bieden. Derhalve heeft de Rb. deze processen-verbaal ten onrechte aangemerkt als proces-verbaal in de zin van artikel 4, tweede lid, van de Verordening. In het verlengde hiervan heeft de Rb. ten onrechte beoordeeld of is voldaan aan het vereiste dat de termijn tussen de intentieverklaring en het opstellen van een proces-verbaal zo kort mogelijk dient te zijn. Het betoog van de vreemdelingen dat een proces-verbaal in de zin van artikel 4, tweede lid, van de Verordening het asielrelaas en de asielmotieven dient te bevatten, behoeft geen bespreking, omdat, reeds gezien het vorenstaande, in dit geval geen sprake is van een proces-verbaal in de zin van die bepaling. Vast staat dat de vreemdelingen op 11 juli 2011 de formulieren voor de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 hebben ingediend. Deze formulieren dienen te worden aangemerkt als formulier in de zin van artikel 4, tweede lid, van de Verordening. Anders dan de vreemdelingen betogen, kan uit punt 4 van de considerans noch uit enige bepaling van de Verordening worden afgeleid dat dit formulier het asielrelaas en de asielmotieven van de vreemdeling dient te bevatten. Daarbij is tevens van belang dat – zoals de Afdeling eerder in de uitspraak van 26 januari 2012 in zaak nr. 201008358/1/V4 (www.raadvanstate.nl) heeft overwogen – de Verordening niet ziet op de wijze van inrichting van de asielprocedures in de lidstaten.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen