ABRvS 17 juli 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX2072
Artikel 13 van besluit 1/80 dient aldus te worden uitgelegd dat gezinsleden van een Turkse werknemer, wiens verblijf en arbeid op het grondgebied van de lidstaat van ontvangst legaal is, zich nog steeds op deze bepaling kunnen beroepen wanneer die werknemer, onder behoud van de Turkse nationaliteit, de nationaliteit van de lidstaat van ontvangst heeft verkregen. Verhoging van het aan leges verschuldigde bedrag voor de afdoening van een aanvraag om toetsing aan het gemeenschapsrecht en afgifte van het daaraan verbonden verblijfsdocument is een bij artikel 13 van besluit nr. 1/80 verboden beperking. Het Hof heeft in punt 34 van het arrest Kahveci en Inan, voor zover thans van belang, overwogen dat de algemene doelstelling van besluit nr. 1/80 bestaat in de verbetering op sociaal gebied van de regeling die voor Turkse werknemers en hun gezinsleden geldt met het oog op de geleidelijke verwezenlijking van het vrije verkeer en beoogt het meer bepaald door artikel 7, eerste alinea, van dit besluit opgezette stelsel dus gunstige voorwaarden voor gezinshereniging in de lidstaat van ontvangst te creëren. Deze doelstelling zou volgens punt 35 van voormeld arrest worden doorkruist indien de verkrijging van de nationaliteit van de lidstaat van ontvangst een werknemer die steeds de Turkse nationaliteit heeft gehad, zou verplichten de aanspraak op de gunstige voorwaarden voor gezinshereniging in die lidstaat van ontvangst op te geven, hetgeen volgens punt 38 een belemmering zou meebrengen voor de rechtspositie die het uit de Associatieovereenkomst voortvloeiende recht uitdrukkelijk toekent aan Turkse staatsburgers. Het Hof heeft in punt 72 van het arrest van 21 oktober 2003, gevoegde zaken C-317/01 en C-369/01, Abatay e.a. (www.curia.europa.eu) overwogen, voor zover thans van belang, dat artikel 13 van besluit nr. 1/80 tot doel heeft gunstige voorwaarden te scheppen voor de geleidelijke invoering van het verkeer van vrije verkeer van werknemers door de nationale autoriteiten te verbieden nieuwe belemmeringen voor die vrijheid op te werpen, teneinde de geleidelijke verwezenlijking van die vrijheid tussen de lidstaten en de Republiek Turkije niet te bemoeilijken. Gelet op hetgeen het Hof in voormelde arresten, in onderlinge samenhang gelezen, over de doelstelling van besluit nr. 1/80 en met name van artikel 7 en artikel 13 van bedoeld besluit heeft overwogen, dient ook artikel 13 aldus te worden uitgelegd dat gezinsleden van een Turkse werknemer, wiens verblijf en arbeid op het grondgebied van de lidstaat van ontvangst legaal is, zich nog steeds op deze bepaling kunnen beroepen wanneer die werknemer, onder behoud van de Turkse nationaliteit, de nationaliteit van de lidstaat van ontvangst heeft verkregen. (…) Derhalve is aan de orde de vraag of het heffen van leges en de verhoging van het bedrag van deze leges een bij artikel 13 van besluit nr. 1/80 verboden beperking is. (…) Het Hof heeft in punt 70 van het arrest van 17 september 2009, C-242/06, Sahin (hierna: het arrest Sahin; www.curia.europa.eu) overwogen, zakelijk weergegeven, dat artikel 13 van besluit nr. 1/80 er op zich niet aan in de weg staat dat een voorschrift wordt ingevoerd, waarbij voor de verlening of verlenging van een verblijfsvergunning de betaling van leges wordt gevraagd van buitenlanders die op het grondgebied van de betrokken lidstaat verblijven. Gelet hierop heeft de Rb. ten onrechte overwogen dat, voor zover thans van belang, het invoeren van legesheffing voor de aanvraag tot verlenging van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in strijd is met artikel 13 van besluit nr. 1/80. (…) Het Hof heeft in punt 74 van het arrest Sahin eveneens overwogen, zakelijk weergegeven, dat een nationale regeling een bij artikel 13 van besluit nr. 1/80 verboden beperking is, voor zover daarbij voor de behandeling van een verzoek tot verlening of verlenging van een verblijfsvergunning van Turkse staatsburgers op wie artikel 13 van toepassing is, een bedrag aan leges wordt geheven dat onevenredig is aan het bedrag dat in vergelijkbare omstandigheden wordt gevraagd van gemeenschapsburgers. Bij Besluit van 9 november 2009 (Stcrt. 2009, nr. 17361 van 12 november 2009) heeft de minister met terugwerkende kracht tot 17 september 2009 artikel 3.34d van het VV 2000 gewijzigd en, voor zover thans van belang, een tweede lid aan dat artikel toegevoegd. Ingevolge dat tweede lid, voor zover thans van belang, is de vreemdeling van Turkse nationaliteit en aan wie het verrichten van arbeid is toegestaan ter zake van de afdoening van een aanvraag tot het verlengen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Wet een bedrag van € 41,00 verschuldigd. Gelet op deze wijziging kan worden aangenomen dat de minister van oordeel is dat het door de vreemdeling aan leges verschuldigde bedrag van € 188,00 onevenredig is aan het, ten tijde van belang, door een gemeenschapsonderdaan aan leges verschuldigde bedrag van € 30,00 voor de afdoening van een aanvraag om toetsing aan het gemeenschapsrecht en afgifte van het daaraan verbonden verblijfsdocument. De Rb. heeft daarom terecht op dit punt overwogen dat van een bij artikel 13 van besluit nr. 1/80 verboden beperking sprake is. -
De uitspraak op rechtspraak.nl