ABRvS 19 januari 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP2541
De rechtsvragen die in de grieven worden opgeworpen, heeft de Afdeling reeds beantwoord in haar uitspraak van 4 oktober 2010 in zaak nr. 200902318/1/V2; www.raadvanstate.nl). In aanvulling hierop wordt overwogen dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat van hem geen terughoudendheid kan worden verwacht wat het verrichten van bekeringsactiviteiten in zijn land van herkomst betreft en dat uit voornoemd arrest van het EHRM van 28 februari 2006 niet kan worden afgeleid dat deze terughoudendheid niet mag worden verwacht van vreemdelingen teneinde een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling te voorkomen. Wel kan uit dit arrest worden afgeleid dat het in artikel 9 van het EVRM neergelegde recht op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst de Verdragsstaten er niet toe verplicht vreemdelingen bescherming te bieden reeds omdat dezen hun godsdienst in hun land van herkomst niet op gelijke wijze kunnen uitoefenen als in de Verdragstaat waar om toelating is verzocht. Aldus staat artikel 9 van het EVRM er op zichzelf genomen niet aan in de weg dat de minister voormelde terughoudendheid van de vreemdeling mag verwachten. Uit de uitspraak van 4 oktober 2010, die ook in dit geval van toepassing is en waarbij de Afdeling blijft, en voormelde overwegingen, volgt dat de grieven slagen. Bij zijn betoog dat hem als tot het christendom bekeerde voormalige moslim ten onrechte geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is verleend, heeft de vreemdeling voorts een beroep gedaan op de door de Tweede Kamer der Staten Generaal aangenomen moties van haar leden Rouvoet en Van der Staaij van 7 november 2000 (Kamerstukken II, vergaderjaar 2000 2001, 19 637, nr. 546) en van haar lid Anker c.s. van 3 juli 2008 (Kamerstukken II, vergaderjaar 2007 2008, 19 637, nr. 1210). Deze beroepsgrond faalt reeds, omdat moties uitsluitend van betekenis zijn in de politieke verhouding tussen de Tweede Kamer der Staten Generaal en de regering en geen rechten of verplichtingen in het leven roepen waarop de vreemdeling zich kan beroepen.
De uitspraak op rechtspraak.nl