Rb. 's-Gravenhage 22 maart 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BV9727
Iran/ (bekeerde) christenen/opvolgende aanvragen/ (internet)activiteiten in Nederland nova Samenvatting: Voor zover verzoekers hebben aangevoerd dat zij in Nederland politieke activiteiten hebben ontplooid en de christelijke boodschap hebben verspreid via sociale media, is sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. De activiteiten zijn geloofwaardig. Voorts kan niet op voorhand worden uitgesloten dat deze activiteiten kunnen afdoen aan de eerdere besluiten. Zo staat in het ambtsbericht van 25 augustus 2011 vermeld dat het kan voorkomen dat Iraniërs op het vliegveld worden geconfronteerd met de inhoud van hun weblogs, Facebook- of YouTube-acounts en dat hierbij geen specifieke nadruk ligt op in- en uitreizende Iraniërs. Verweerder heeft weliswaar in de bestreden besluiten verwezen naar artikel 4:6 van de Awb, maar is niettemin inhoudelijk ingegaan op de activiteiten die verzoeker de laatste jaren heeft ontplooid. Verweerder kan worden gevolgd in zijn standpunt dat niet aannemelijk is gemaakt dat de Iraanse autoriteiten hiervan thans op de hoogte zijn. Verweerder heeft evenwel niet (voldoende) gemotiveerd waarom verzoekers bij terugkeer naar Iran niet in de negatieve belangstelling van de Iraanse autoriteiten komen te staan en bedoelde activiteiten alsdan bekend zullen geraken. Dit motiveringsgebrek klemt nu verzoekers uitvoerig hebben onderbouwd dat de mensenrechtensituatie in Iran sinds de verkiezingen in juni 2009 verder is verslechterd en dat Iraanse asielzoekers thans, gelet op onder meer het rapport van OSAR van 18 augustus 2011, een gerede kans lopen dat zij bij terugkeer in Iran zullen worden onderworpen aan ondervraging of onderzoek. Niet op voorhand kan worden gezegd dat dit risico in het geval van verzoekers niet voorzienbaar is. Zij zijn immers al acht jaar geleden uit Iran vertrokken. Verder hebben zij nadien een dochter gekregen die in Iran niet geregistreerd staat. Daar komt bij dat uit het arrest R.C. tegen Zweden, LJN: BM4069, blijkt dat zelfs Iraniër met de juiste reispapieren bij terugkeer in Iran vragen kunnen verwachten over hun niet gedocumenteerde uitreis. Bovendien is niet betwist dat verzoekers al voor hun vertrek uit Iran ten minste in naam christen waren en dat daardoor niet valt uit te sluiten dat zij bij terugkeer bij voorbaat op meer dan normale belangstelling van de Iraanse autoriteiten kunnen rekenen.
De uitspraak op rechtspraak.nl