ABRvS 16 december 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO8940

Somalië / provincie Jubbada Hoose / artikel 15 aanhef en onder c Richtlijn De vreemdeling heeft tijdens het eerste gehoor verklaard in [geboortejaar] te zijn geboren in Mogadishu en dat hij van 1985 tot en met juni 2009 in [plaats] heeft gewoond, gelegen in de provincie Jubbada Hoose. Ook tijdens het nader gehoor heeft hij verklaard dat [plaats] zijn verblijfplaats in Somalië was. De vreemdeling heeft verder verklaard in juli 2009 uit Somalië te zijn vertrokken. Deze verklaringen heeft de staatssecretaris niet uitdrukkelijk bestreden, zodat thans van de juistheid ervan moet worden uitgegaan. Gezien deze verklaringen, had de vreemdeling voorafgaand aan zijn vertrek uit Somalië zijn normale woon- en verblijfplaats in de provincie Jubbada Hoose. Gelet hierop, alsmede in het licht van de hiervoor onder 2.1.1. weergegeven jurisprudentie, dient het beroep op artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn in dit geval beoordeeld te worden in de context van de provincie Jubbada Hoose. De rechtbank heeft haar overwegingen inzake deze bepaling derhalve ten onrechte niet toegespitst op Jubbada Hoose. Dit laat evenwel onverlet dat uit hetgeen door de vreemdeling is aangevoerd niet is af te leiden dat de situatie in Jubbada Hoose ten tijde van belang wezenlijk afweek van de situatie in de periode die in de uitspraak van 22 november 2010 in zaak nr. 200908977/1/V2, www.raadvanstate.nl, aan de orde was, waarin de Afdeling heeft overwogen dat de staatssecretaris in het daarin aan de orde zijnde besluit deugdelijk heeft gemotiveerd dat zich in de provincie Jubbada Hoose niet een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn voordeed. Gelet hierop, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat ten tijde van het besluit geen sprake was van een situatie, als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn. De grief faalt.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen