ABRvS 14 december 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO8026

Ongewenstverklaring / causaal verband bij ‘personal participation’ Niet in geschil is dat de vreemdeling van 2 januari 1986 tot 2 augustus 1992 als dienstplichtige heeft gediend in de artillerie van het Iraakse leger in de functie van verbindingssoldaat die de coördinaten van te beschieten doelen bepaalt en doorgeeft. Laatstelijk diende hij in de rang van "arif". De eenheid waartoe de vreemdeling heeft behoord, is betrokken geweest bij de strijd in de Irak Iranoorlog, de Anfal campagne tegen de Koerden en de Golfoorlog. Bij deze strijd heeft het Iraakse leger oorlogsmisdrijven begaan. Vaststaat dat de vreemdeling van deze misdrijven op de hoogte is geweest, zodat sprake is "knowing participation". Volgens paragraaf C4/3.11.3.3, onder "Personal participation", aanhef en sub c, van de Vreemdelingencirculaire 2000 is sprake van "personal participation" wanneer de desbetreffende vreemdeling een misdrijf als bedoeld in artikel 1 (F) van het Vluchtelingenverdrag heeft gefaciliteerd, dat wil zeggen dat zijn handelen en/of nalaten in wezenlijke mate heeft bijgedragen aan het misdrijf. Onder wezenlijke bijdrage dient te worden verstaan dat de bijdrage een feitelijk effect heeft gehad op het begaan van een misdrijf en dat het misdrijf hoogstwaarschijnlijk niet op dezelfde wijze zou hebben plaatsgevonden indien niemand de rol van betrokkene had vervuld dan wel indien betrokkene gebruik had gemaakt van mogelijkheden het misdrijf te voorkomen. Ter zitting bij de Afdeling heeft de minister verklaard dat van een wezenlijke bijdrage geen sprake is indien het causale verband tussen de bijdrage en het misdrijf te ver verwijderd is. In het geval van de vreemdeling echter is er een direct en duidelijk verband tussen zijn werkzaamheden en de verrichtingen die als oorlogsmisdrijven zijn aangemerkt, aldus de minister ter zitting. Uit het voorgaande volgt dat de positie en bevoegdheid van de vreemdeling alsmede de aanwezigheid van anderen voor dezelfde taken niet bepalend zijn voor het beantwoorden van de vraag of de vreemdeling in wezenlijke mate heeft bijgedragen aan de oorlogsmisdrijven. Slechts relevant is of in vorenbedoelde zin de bijdrage van de vreemdeling feitelijk effect heeft gehad op het begaan van die misdrijven en of deze hoogstwaarschijnlijk niet op dezelfde wijze zouden hebben plaatsgevonden indien niemand de rol van de vreemdeling had vervuld dan wel indien de vreemdeling gebruik had gemaakt van mogelijkheden om die misdrijven te voorkomen. De aard van de door de vreemdeling verrichte werkzaamheden zoals hiervoor omschreven brengt mee dat deze feitelijk effect hebben gehad op het begaan van de oorlogsmisdrijven, omdat het aanleveren van de coördinaten door de vreemdeling het beschieten van de aldus aangegeven locaties door anderen direct mogelijk heeft gemaakt. Het ontbreken van een beslissingsbevoegdheid bij de vreemdeling, omdat hij handelde op bevel van een officier, en de aanwezigheid van anderen met dezelfde taak als de vreemdeling maken dit niet anders. Gezien het aldus nauwe causale verband tussen de bijdrage van de vreemdeling en de gepleegde misdrijven is voorts aannemelijk dat de misdrijven hoogstwaarschijnlijk niet op dezelfde wijze zouden hebben plaatsgevonden indien niemand de rol van betrokkene had vervuld dan wel indien betrokkene gebruik had gemaakt van mogelijkheden het misdrijf te voorkomen. Gelet reeds hierop heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de vreemdeling een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de oorlogsmisdrijven van het Iraakse leger en dus sprake is van "personal participation". De rechtbank heeft dat niet onderkend. De grief slaagt derhalve.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen