Rb. Den Haag 6 november 2015, ECLI:NL:RBDHA:2015:13975
Syrië, 1F Vluchtelingenverdrag Tijdens zijn dienstplicht heeft eiser gewerkt op het communicatie- en operatiecentrum van een afdeling van de Staatsveiligheidsdienst. Mede gelet de verklaringen van eiser tijdens het nader gehoor, is de rechtbank van oordeel dat er een direct causaal verband bestaat tussen de bijdrage van eiser (namelijk het bevel (door)geven aan patrouilles om op te treden tegen Koerden en gevangenen op te halen) en de gepleegde misdrijven (willekeurige arrestaties en detenties, marteling en foltering) en is ook aannemelijk dat de misdrijven hoogstwaarschijnlijk niet op dezelfde wijze zouden hebben plaatsgevonden indien niemand de rol van eiser had vervuld. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat eiser een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de genoemde niet-politieke misdrijven en dat dus sprake is van personal participation. Of eiser in dit kader al dan niet zelfstandige bevelsbevoegdheid had, hetgeen eiser betwist, is hierbij niet van belang, zoals ook is overwogen door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in de uitspraak van 14 december 2010 (ECLI:NL:RVS:2010:BO8026). De rechtbank is verder van oordeel dat niet is gebleken dat eiser zich niet kon onttrekken of heeft geprobeerd zich te onttrekken aan de werkzaamheden, al dan niet via de kennelijk invloedrijke vrienden van zijn vader.
De uitspraak op rechtspraak.nl