ABRvS 9 september 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN6705

Somalië / provincie Hiraan / geen situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn Dat de staatssecretaris niet betwist dat in Somalië sprake is van een binnenlands gewapend conflict, laat onverlet dat hij zich in het besluit van 17 juli 2009 en het daarin ingelaste voornemen ook op het standpunt heeft gesteld dat de vreemdeling niet op de voet van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 in aanmerking komt voor de in artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn beschreven bescherming, omdat de mate van willekeurig geweld in Somalië in het algemeen en in het gebied waar de vreemdeling uit afkomstig is in het bijzonder niet zodanig hoog werd geacht dat zwaarwegende gronden bestonden om aan te nemen dat een burger, louter door zijn aanwezigheid aldaar, ten tijde van de totstandkoming van dit besluit een reëel risico liep op de in artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn beschreven ernstige schade. Hoewel uit de door de vreemdeling ingebrachte stukken, hiervoor genoemd onder 2.2.4. naar voren komt dat de veiligheidssituatie in Somalië zorgwekkend is, heeft de staatssecretaris terecht gesteld dat uit die stukken niet kan worden afgeleid dat de mate van het willekeurig geweld in het kader van het gewapend conflict in het gebied waaruit de vreemdeling afkomstig is ten tijde van de totstandkoming van het besluit zodanig hoog was dat een burger, louter door zijn aanwezigheid aldaar, op dat moment een reëel risico liep op de in artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn beschreven ernstige schade. Deze stukken geven informatie over de algemene veiligheidssituatie in Somalië, maar zien - voor zover zij betrekking hebben op de situatie ten tijde van de totstandkoming van voormeld besluit - niet specifiek op het gebied waaruit de vreemdeling afkomstig is, de provincie Hiraan. In ieder geval blijkt uit die stukken niet van dusdanige veiligheidsincidenten in dat gebied, dat tot een andersluidend oordeel inzake de intensiteit van het geweld in dat gebied moet worden gekomen dan de staatssecretaris heeft gegeven. Aangezien de vreemdeling verder geen informatie heeft ingebracht waaruit kan worden afgeleid dat zich ten tijde van de totstandkoming van voormeld besluit in het gebied waaruit hij afkomstig is wel een uitzonderlijke situatie, als vorenbedoeld, voordeed, heeft de staatssecretaris, anders dan de voorzieningenrechter heeft overwogen, voldoende gemotiveerd dat niet aannemelijk is geworden dat zich vorenbedoelde uitzonderlijke situatie aldaar op dat moment voordeed en bestaat geen aanleiding het standpunt van de staatssecretaris terzake van artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn onvoldoende zorgvuldig voorbereid te achten. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de staatssecretaris niet heeft volstaan met de enkele stelling dat in het aantal burgerslachtoffers geen aanleiding wordt gevonden voor het aannemen van een uitzonderlijke situatie, als vorenbedoeld, maar zijn standpunt, zoals blijkt uit overweging 2.2.5., nader heeft gemotiveerd. In dat opzicht verschilt deze zaak van zaak nr. 200905017/1/V2 die heeft geleid tot de uitspraak van 26 januari 2010 (www.raadvanstate.nl), waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat het desbetreffende besluit terzake van de vraag of sprake was van de uitzonderlijke situatie, beschreven in artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn - overigens in dat geval in Mogadishu - niet deugdelijk was gemotiveerd. De grief slaagt.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen