ABRvS 6 juli 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN1166
Associatiebesluit 1/80 / artikel 13 is van toepassing op werkzoekende / vreemdeling reeds in bezit van verblijfsvergunning Het eerste onderdeel van de klacht van de staatssecretaris over de personele reikwijdte van artikel 13 van besluit nr. 1/80 komt er in wezen op neer dat de vreemdeling op het moment van de door hem ingediende aanvraag niet als werknemer in de zin van besluit nr. 1/80 kon worden aangemerkt. Niet in geschil is dat de vreemdeling op 19 oktober 2006, toen hij zijn aanvraag indiende, geen arbeid in loondienst verrichtte. Nu hij evenwel een maand later arbeid in loondienst is gaan verrichten, kan worden aangenomen dat de vreemdeling ten tijde van die aanvraag bezig was om werk te zoeken. Het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: het Hof) heeft in het arrest van 17 september 2009, C-242/06, Sahin, punten 50 en 51 (hierna: het arrest Sahin), onder verwijzing naar de punten 75 tot en met 84 van het arrest van 21 oktober 2003, C-317/01 en C-369/01, Abatay e.a. (hierna: het arrest Abatay) (www.curia.europa.eu) overwogen dat, voor zover thans van belang, artikel 13 van besluit nr. 1/80 niet afhankelijk is van de voorwaarde dat de Turkse staatsburger voldoet aan de eisen van artikel 6, eerste lid, van dit besluit en dat de strekking van deze bepaling niet is beperkt tot Turkse migranten die betaalde arbeid verrichten. Deze twee bepalingen hebben betrekking op onderscheiden gevallen, aangezien artikel 6 de voorwaarden regelt voor het verrichten van arbeid, terwijl artikel 13 betrekking heeft op nationale maatregelen inzake de toegang tot de arbeidsmarkt. Hieruit kan worden afgeleid dat artikel 13 van besluit nr. 1/80 niet is bedoeld om reeds in de arbeidsmarkt van een lidstaat geïntegreerde Turkse staatsburgers te beschermen, maar juist van toepassing is op Turkse staatsburgers die nog niet in aanmerking komen voor de rechten op het gebied van arbeid en, in samenhang daarmee, van verblijf uit hoofde van artikel 6, eerste lid, van dit besluit, aldus het Hof. Uit deze overwegingen volgt dat artikel 13 van besluit nr. 1/80 onder meer betrekking heeft op Turkse staatsburgers die gebruik hebben gemaakt van het door de bevoegde autoriteiten verleende recht om arbeid te verrichten, maar bijvoorbeeld nog geen jaar legale arbeid bij dezelfde werkgever hebben verricht of die nog geen gebruik hebben gemaakt van dat recht om arbeid te verrichten, maar daartoe voornemens zijn (vergelijk ook het arrest van 29 april 2010, C-92/07, Europese Commissie tegen Koninkrijk der Nederlanden, punt 49 (www.curia.europa.eu)). Derhalve faalt het eerste onderdeel van de klacht. Het tweede onderdeel van de klacht dat artikel 13 van besluit nr. 1/80 niet op de vreemdeling van toepassing is omdat de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd waarover de vreemdeling op het moment van de door hem ingediende aanvraag beschikte hem reeds in staat stelde arbeid, dan wel voorgezette arbeid, te verrichten, zodat van een beperking van de toegang tot werkgelegenheid geen sprake is, faalt ook. Door op de voet van artikel 3.51 van het Vb 2000 wijziging van de beperking verbonden aan zijn verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd aan te vragen kan de vreemdeling zijn verblijfsrechtelijke positie versterken en daarmee ook zijn toekomstige mogelijkheden van toegang tot werkgelegenheid. De hiervoor vermelde jurisprudentie van het Hof biedt geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het Hof heeft beoogd het toepassingsbereik van artikel 13 van besluit nr. 1/80 in die zin te beperken dat het geen bescherming biedt tegen een beperking om in voorkomend geval ook die mogelijkheden te realiseren. In punt 63 van het arrest Sahin heeft het Hof immers overwogen dat, voor zover thans van belang, de in artikel 13 van besluit nr. 1/80 vervatte standstillbepaling in algemene zin de invoering verbiedt van alle nieuwe nationale maatregelen die tot doel of tot gevolg zouden hebben dat aan de gebruikmaking door een Turks staatsburger van het vrij verkeer van werknemers op het nationale grondgebied, strengere voorwaarden worden gesteld dan die welke golden bij de inwerkingtreding van besluit nr. 1/80 voor de betrokken lidstaat.
De uitspraak op rechtspraak.nl