ABRvS 17 februari 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL4531

Uitzetting / weigering toegang / verhaal kosten op vervoerder / escortering De vraag of escortering noodzakelijk is, dient primair door de staatssecretaris te worden beantwoord, zodat zijn standpunt daarover door de rechter terughoudend dient te worden getoetst. Binnen dat kader overweegt de Afdeling dat uit de incidentnotitie voldoende duidelijk blijkt dat de vreemdeling zich op 19 mei 2005 heeft verzet tegen zijn uitzetting en dat op grond van die incidentnotitie kan worden geconcludeerd dat eerst dat verzet aanleiding is geweest te besluiten tot geëscorteerde uitzetting. De staatssecretaris kan worden gevolgd in zijn betoog dat, indien van verzet geen sprake zou zijn geweest, de vreemdeling ongehinderd met de vlucht op die datum zou zijn vertrokken. Voorts ligt het niet voor de hand dat, indien reeds eerder tot escortering zou zijn besloten, de Koninklijke marechaussee (hierna: de Kmar) desondanks zou hebben gepoogd de vreemdeling op 19 mei 2005 zonder escorts uit te zetten. Dit in aanmerking genomen bestaat, gelet op de door de staatssecretaris genoemde en in 2.2. weergegeven belangen die met het garanderen van een ordentelijke uitzetting worden gediend, geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat op grond van het verzet bij de voorgenomen uitzetting op 19 mei 2005 escortering noodzakelijk was. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat het besluit van 30 april 2008 in zoverre onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen. Nu, zoals in 2.2.2. is overwogen, geen grond bestaat voor het oordeel dat de staatssecretaris zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat op 19 mei 2005 de noodzaak tot escortering van de vreemdeling bestond, en zich tussen die datum en de uitzetting op 30 juni 2005 geen feiten of omstandigheden hebben voorgedaan, die aanleiding konden geven voor het oordeel dat van verzet tegen de uitzetting niet wederom sprake zou zijn, bestaat, mede gelet op de door de staatssecretaris uiteengezette en in 2.2. weergegeven belangen, evenmin grond voor het oordeel dat de staatssecretaris zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen aanleiding bestond het besluit tot escortering met het oog op de uitzetting van 30 juni 2005 te herzien. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte overwogen dat het besluit van 30 april 2008 in zoverre onvoldoende zorgvuldig is voorbereid.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen