Rb. 's-Gravenhage 27 januari 2009, ECLI:NL:RBSGR:2009:BH1492
Beroep / artikel 26 SUO jo artikel 3 Richtlijn 2001/51/EG / artikel 65 Vw 2000 / artikel 6.3 Vb 2000 / toegangsweigering / removal order / kosten uitzetting / noodzakelijke begeleiding Kmar Eiseres in deze zaak is een vliegtuigmaatschappij op wie verweerder de kosten (te weten € 31874,36) heeft verhaald met betrekking tot de uitzetting onder escorte van een vreemdeling aan wie de toegang tot het Schengengebied was geweigerd. Eiseres stelt zich onder verwijzing naar artikel 6.3, tweede lid, Vb op het standpunt dat geen noodzaak bestond om de vreemdeling met begeleiding van escorts uit te zetten. Verweerder stelt dat tot de begeleiding is besloten naar aanleiding van het (verbale) verzet van de vreemdeling tegen de uitzetting op 19 mei 2005. Ter onderbouwing van deze stelling heeft verweerder verwezen naar de incidentnotitie van 19 mei 2005. Deze notitie vermeldt: “Betrokkene zou vandaag om 13.50 uur met de [ ] vliegen. Betrokkene gaf aan niet naar Cuba te willen omdat hij daar vermoord zou worden. Is niet fysiek lastig geweest maar nadat hem verteld was dat hij met escorts zou worden gebracht deelde hij mede dat dat toch niet zou lukken”. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit deze notitie niet dat de begeleiding door escorts op het moment van uitzetting van de vreemdeling noodzakelijk was. Anders dan verweerder ter zitting heeft aangevoerd kan uit deze formulering niet zonder meer worden geconcludeerd dat tegen de vreemdeling is gezegd dat hij, indien hij zich verzette, met escorts zou worden gebracht. De tekst is zodanig geformuleerd dat daaruit even zo goed kan worden geconcludeerd dat hij hoe dan ook met escorts zou worden gebracht. Eiseres wijst er in dit verband op dat de incidentennotitie bij de datum 14 april 2005 vermeldt: “Aan PS een fax verzonden met het verzoek tot boeken en uitprinten paperticket. Indien geen doorreis dan aangeven dat betrokkene retour moet met escorts”. Hieruit blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat reeds vóór het verbale verzet van 19 mei 2005 is gesproken over begeleiding door escorts. Aldus kan uit de incidentnotitie niet eenduidig worden geconcludeerd dat het verbale verzet van 19 mei 2005 aanleiding is geweest voor het besluit tot begeleiding door escorts. Nu enige verdere onderbouwing van de stelling dat de begeleiding noodzakelijk was ontbreekt, kan niet worden geconcludeerd dat de begeleiding door escorts noodzakelijk was. De enkele algemene verwijzing van verweerder naar de deskundigheid van de Koninklijke Marechaussee, is onvoldoende om tot die conclusie te komen. Dit klemt te meer daar gelet op het voorgaande onduidelijk is wanneer en op welke gronden de Koninklijke Marechaussee heeft geconcludeerd dat begeleiding nodig was. Daarnaast acht de rechtbank het onzorgvuldig dat verweerder, naar ter zitting van de zijde van verweerder is verklaard, tussen 19 mei 2005 en het uiteindelijke vertrek op 30 juni 2005, niet is onderzocht of de begeleiding met escorts noodzakelijk was. Niet ondenkbaar is immers dat een vreemdeling na het verstrijken van vijf weken anders over zijn naderend vertrek denkt dan daarvoor. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat de begeleiding met escorts noodzakelijk was. Beroep gegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl