Rb. 's-Gravenhage 8 juli 2008, ECLI:NL:RBSGR:2008:BD6552
Amv / voortgezet verblijf / art. 8 EVRM / belangenafweging / doel van de oorspronkelijke vergunning Het betreft een vreemdeling die een aanvraag heeft ingediend om de aan de verblijfsvergunning verbonden beperking “alleenstaande minderjarige vreemdeling” te wijzigingen in de beperking “voortgezet verblijf”. Deze aanvraag is afgewezen. In het kader van artikel 8 EVRM heeft verweerder erkend dat er sprake is van inmenging in het gezinsleven. Verweerder acht de inmenging echter gerechtvaardigd. De belangenafweging in dit kader heeft verweerder doen steunen op de volgende overwegingen: “Betrokkene is weliswaar in het bezit geweest van een verblijfsvergunning regulier onder de beperking “verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling” doch deze verblijfsvergunning is niet verleend met als doel gezinsleven met een Nederlandse partner mogelijk te maken. Immers, de verleende verblijfsvergunning heeft als doel betrokkene opvang te bieden in de periode dat betrokkene nog minderjarig is en er geen adequate opvang beschikbaar is in het land van herkomst. Weliswaar was betrokkene door in het bezit te zijn van een verblijfsvergunning met als doel “verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling” feitelijk in staat in Nederland een relatie aan te gaan, maar bepalend is dat de verblijfsvergunning onder een beperking, niet zijnde het uitoefenen van dit gezinsleven, is verleend en dat deze vergunning een tijdelijk karakter heeft. Bovendien is in het onderhavige geval van belang dat betrokkene heeft verklaard niet samen te wonen met haar partner, zij dit ook niet stelt te willen, haar partner geen structurele financiële bijdrage levert en hij evenmin de zoon van eiseres heeft erkend.” Mede gezien de uitspraak van de AbRvS van 23 maart 2007 (LJN-nummer: BA2163) is de rechtbank van oordeel dat verweerder ten onrechte bij de te maken belangenafweging het doel van de oorspronkelijke vergunning als wegingsfactor heeft gehanteerd. Evenals bij de beantwoording van de vraag of er sprake is van inmenging is bij de beantwoording van de vraag of er sprake is van een gerechtvaardigde inmenging niet het oogmerk van de verleende vergunning maar de wijze waarop feitelijk invulling aan het gezinsleven is gegeven van betekenis. De rechtbank neemt bij dit oordeel mede in aanmerking dat verweerder volgens zijn beleid, zoals neergelegd in onderdeel B2/10.2.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 het doel van de verleende verblijfsvergunning niet als factor vermeld die in de te maken belangenafweging dient te worden betrokken.
De uitspraak op rechtspraak.nl