ABRvS 10 november 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BG5060

Regeling afwikkeling nalatenschap Vreemdelingenwet (oud) / geen asielaanvraag / gelijkheidsbeginsel Het Koninkrijk der Nederlanden is verschillende internationale verplichtingen aangegaan, onder meer door toetreding tot het Verdrag van Genève van 1951 betreffende de status van vluchtelingen (Trb. 1954, 88) en het bijbehorende Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967, 76; hierna: het Vluchtelingenverdrag) en verschillende mensenrechtenverdragen, zoals het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (Trb. 1951, 154), die in het bijzonder zien op de vraag of bescherming moet worden geboden aan vreemdelingen die op asielgerelateerde gronden hier te lande verblijf beogen. Dit heeft er mede toe geleid dat in de Vw 2000 een strikte scheiding wordt gemaakt tussen asiel- en reguliere procedures, niet alleen wat betreft de wijze waarop een verblijfsvergunning kan worden verkregen, maar ook ten aanzien van de aanspraken die aan een verleende vergunning zijn verbonden en de rechtsbeschermingsmogelijkheden. Daarnaast hebben deze internationale verplichtingen ertoe geleid dat de Nederlandse overheid ten aanzien van vreemdelingen die een asielaanvraag hebben ingediend andere verantwoordelijkheden heeft aangenomen dan voor vreemdelingen die dat niet hebben gedaan. Zo heeft zij, onder meer reeds met de Regeling opvang asielzoekers (Stc. 1987, 75), erkend dat de opvang van vreemdelingen die een asielaanvraag hebben ingediend een taak van de overheid is. Deze overheidstaak is inmiddels ook in het verband van de Europese Unie erkend (Richtlijn 2003/9/EG van de Raad van de Europese Unie van 27 januari 2003 tot vaststelling van minimumnormen voor de opvang van asielzoekers in de lidstaten). Een dergelijke verplichting bestaat niet ten aanzien van vreemdelingen die geen asielaanvraag hebben ingediend. Zoals de staatssecretaris ter zitting heeft uiteengezet, zijn er in de loop van de afgelopen jaren als gevolg van de lange duur van de procedures van vreemdelingen die een asielaanvraag hebben ingediend onder de Vreemdelingenwet (oud) diverse problemen ontstaan die samenhingen met de (nood)opvang en het verblijf van die vreemdelingen, en was de druk, zowel in het parlement, als daarbuiten, om in ieder geval met betrekking tot de problemen van die groep tot een regeling te komen, groot, hetgeen uiteindelijk heeft geleid tot de Regeling. Omdat derhalve sprake is van een onderscheid in de verantwoordelijkheden die de overheid heeft voor vreemdelingen die een asielaanvraag hebben ingediend en vreemdelingen die dat niet hebben gedaan en daarnaast ten aanzien van vreemdelingen behorend tot die eerste groep, die een asielaanvraag hadden ingediend onder de Vreemdelingenwet (oud), problemen waren ontstaan waarvoor een oplossing moest worden gezocht, kan de vreemdeling niet worden gevolgd in zijn betoog dat geen sprake is van een relevant onderscheid tussen hem en vreemdelingen die, anders dan hij, vóór 1 april 2001 wel om toelating als vluchteling hebben verzocht. De beroepsgrond faalt dan ook.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen