Rb. Den Haag 10 maart 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:3464
Kinderpardon, geen sprake van asielaanvraag: onderscheid asielaanvraag/geen asielaanvraag, privéleven, discretionaire bevoegdheid van de staatssecretaris. Onderscheid asielaanvraag/geen asielaanvraag: De rechtbank stelt voorop dat de Kinderpardonregeling begunstigend beleid is dat, voor zover hier van belang, slechts van toepassing is op vreemdelingen ten behoeve van wie ten minste vijf jaren voor het bereiken van de leeftijd van achttien jaren een asielaanvraag is ingediend. Aldus maakt de Kinderpardonregeling onderscheid tussen aanvragers met een asielachtergrond en aanvragers zonder die achtergrond. Artikel 14 van het EVRM vereist een objectieve en redelijke rechtvaardiging voor een gemaakt onderscheid op basis van de verblijfsachtergrond. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een objectieve en redelijke rechtvaardiging aanwezig is voor het gemaakte onderscheid. Verweerder heeft hierbij allereerst kunnen wijzen op het verschil in verantwoordelijkheid van de overheid voor asielzoekers en voor andere vreemdelingen. Ook heeft verweerder van belang kunnen achten dat de positie van vreemdelingen tijdens de asielprocedure verschilt van de positie van andere vreemdelingen. Ten slotte heeft verweerder bij de vraag of het gemaakte onderscheid gerechtvaardigd is, gewicht kunnen toekennen aan de omstandigheid dat asielprocedures lang en slepend kunnen zijn. Privéleven: Verweerder heeft zich op het standpunt mogen stellen dat geen sprake is van schending van het recht op eerbiediging van het privéleven. Discretionaire bevoegdheid: Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat de beoordeling van verweerder zich beperkt tot de aanvraag voor verblijf op grond van de Kinderpardonregeling. Verweerder beoordeelt bij een dergelijke aanvraag niet of anderszins aanleiding bestaat om artikel 3.4, derde lid, van het Vb 2000 toe te passen. Indien een vreemdeling ook met ruimhartige toepassing niet onder de Kinderpardonregeling valt, ligt het indienen van een aanvraag onder de beperking verblijf conform Minister in de rede. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder ervoor mogen kiezen om pas na een daartoe strekkende aanvraag te bezien of aanleiding bestaat om artikel 3.4, derde lid, van het Vb 2000 toe te passen.
De uitspraak op rechtspraak.nl