ABRvS 17 september 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BF3060
Derdelander, die relatie heeft met EU-onderdaan, maar geen geregistreerd partnerschap, kan niet rechtstreeks rechtmatig verblijf aan Richtlijn 2004/38/EG ontlenen / derdelander moet aan vereisten voldoen / mogelijkheid om aan vereisten te voldoen staat niet aan inbewaringstelling in de weg De vreemdeling kan niet worden gevolgd in zijn betoog dat hij op grond van de enkele aanvraag tot afgifte van een verblijfsdocument op de voet van artikel 8.13 van het Vb 2000 dient te worden aangemerkt als gemeenschapsonderdaan. Tussen partijen is niet in geschil dat er geen sprake is van een geregistreerd partnerschap tussen de vreemdeling en zijn partner. De rechtbank heeft dus terecht overwogen dat de vreemdeling geen familielid is in de zin van artikel 2, tweede lid, van de Richtlijn. Artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de Richtlijn schrijft de lidstaten slechts voor, overeenkomstig hun nationaal recht, de binnenkomst en het verblijf van de partner met wie de burger van de Unie een duurzaam bewezen relatie heeft te vergemakkelijken. Aan die bepaling wordt in de Richtlijn echter geen nadere invulling gegeven, zodat de vreemdeling niet rechtstreeks rechtmatig verblijf aan de Richtlijn kan ontlenen, maar daarvoor is aangewezen op het nationale recht van de desbetreffende lidstaat. [...] Gelet op artikel 8.11, tweede lid, gelezen in samenhang met artikel 8.7, vierde lid, van het Vb 2000, is voor rechtmatig verblijf op de voet van eestgenoemd artikellid vereist dat de desbetreffende vreemdeling, naast deugdelijk bewijs van zijn duurzame relatie met een burger van de Unie, beschikt over een geldig paspoort. Niet in geschil is dat het paspoort van de vreemdeling is voorzien van een valse verlenging, zodat hij niet aan dat vereiste voldoet. Dat de vreemdeling op grond van artikel 8.8, vierde lid, van het Vb 2000 de mogelijkheid dient te worden geboden binnen een redelijke termijn alsnog een geldige identiteitskaart of een geldig paspoort over te leggen alvorens te kunnen worden uitgezet, staat aan de inbewaringstelling op grond van artikel 59 van de Vw 2000 niet in de weg, omdat de vreemdeling op het moment van de inbewaringstelling niet had aangetoond dat hij rechtmatig verblijf had op de voet van artikel 8.11 van het Vb 2000. Nu voorts niet in geschil is dat de gronden voor inbewaringstelling aanwezig waren, heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat de vreemdeling op 14 juni 2008 ten onrechte in bewaring is gesteld.
De uitspraak op rechtspraak.nl