Rb. 's-Gravenhage 29 augustus 2011, ECLI:NL:RBSGR:2011:BS8944
Naar voorlopig oordeel kan artikel 62, derde lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 – voor zover nodig – richtlijnconform worden uitgelegd in die zin dat, zolang niet aan artikel 3, zevende lid, van de Terugkeerrichtlijn is voldaan, verweerder ten aanzien van een vreemdeling jegens wie een terugkeerbesluit is genomen een risico op onderduiken kan aannemen en dus kan afzien van het toekennen van een termijn voor vrijwillig vertrek, in de situatie dat die vreemdeling onmiddellijk voorafgaand aan zijn binnenkomst in Nederland geen rechtmatig verblijf heeft gehad en verweerder in het concrete geval motiveert waarom die vreemdeling zich zal onttrekken aan het toezicht. De in artikel 62, derde lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 beschreven situatie dat een vreemdeling onmiddellijk voorafgaand aan zijn binnenkomst in Nederland geen rechtmatig verblijf heeft gehad, moet worden onderscheiden van de situatie waarin een vreemdeling op legale wijze Nederland is binnengekomen en rechtmatig verblijf heeft gehad, maar aan de rechtmatigheid van dat verblijf een einde is gekomen. Anders dan verzoeker heeft betoogd gaat het dus niet om het enkele feit dat een vreemdeling onrechtmatig in Nederland verblijft, een situatie die de Terugkeerrichtlijn veronderstelt, maar is vooral van belang dat de vreemdeling, zoals nader toegelicht in paragraaf A4/3.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000, nooit rechtmatig verblijf heeft gehad en zich dus illegaal toegang tot Nederland heeft verschaft.
De uitspraak op rechtspraak.nl