ABRvS 24 mei 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BA6317
Wettelijke taak COA / opvang buiten Rva / bijzondere omstandigheden Er is geen grond voor het oordeel dat, zoals het COA betoogt, buiten de gevallen waarin de vreemdeling onder de reikwijdte van de Rva 2005 valt, geen aanleiding voor het verlenen van verstrekkingen kan bestaan. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 28 maart 2007 in zaak no. 200605521/1, JV 2007/187) houdt de in artikel 3 van de Wet COA neergelegde wettelijke taak van het COA ook in dat het opvang verleent in zeer bijzondere omstandigheden die tot feitelijke opvang nopen, voor zover deze omstandigheden niet vallen onder het bereik van de door de minister aangewezen categorieën van artikel 3 van de Rva 2005. De inhoud van voormelde brief van 19 juli 2001 in aanmerking genomen, heeft het COA aan de vreemdeling kennelijk op deze grond opvang verleend en niet omdat hij niet kon reizen. Voorts geldt dat de voorzieningenrechter van de rechtbank's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Alkmaar, in voormelde uitspraak, die gezag van gewijsde heeft, heeft overwogen dat het COA zich bij het op de aanvraag te nemen besluit niet op het standpunt zal kunnen stellen dat alleen het BMA-advies van 31 oktober 2001 voldoende grondslag is voor beëindiging van de opvang, nu uit het dossier voldoende is gebleken dat de vreemdeling niet in de opvang is opgenomen omdat hij niet kan reizen. Het COA was gehouden een besluit te nemen met inachtneming van die uitspraak. Het vorenstaande brengt mee dat het COA het besluit van 26 september 2006 niet op artikel 7, eerste lid, aanhef en onder d, van de Rva 2005 kon doen steunen, zoals is gebeurd. Nu het COA zich voorts niet op het standpunt heeft gesteld dat evenbedoelde zeer bijzondere omstandigheden niet meer bestaan, bestaat geen grond voor het oordeel dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat het besluit van 26 september 2006 een deugdelijke motivering ontbeert.
De uitspraak op rechtspraak.nl