Rb. 's-Gravenhage 29 november 2010, ECLI:NL:RBSGR:2010:BO6124

Verzoeker is uitgeprocedeerd als asielzoeker en verblijft sedertdien onrechtmatig in Nederland. 1. Op 2 november 2009 heeft de Minister van Justitie (thans: Minister voor Immigratie en Asiel) verzoeker met toepassing van artikel 56, eerste lid, van de Vw 2000 een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd, inhoudende dat verzoeker zich in de gemeente (naam gemeente) moet ophouden. Vervolgens heeft het COa verzoeker opvang verleend in de VBL te (plaatsnaam). Op 18 oktober 2010 is de maatregel ingetrokken en is de opvang - naar verzoeker meent ten onrechte - beëindigd. Het COa betwist zijn (beslissings)bevoegdheid in deze kwestie. 2. De voorzieningenrechter oordeelt dat het verlenen van opvang aan vreemdelingen de wettelijke taak is van het COa en niet van de Minister. De voorzieningenrechter volgt het COa daarom niet in zijn standpunt dat niet hij, maar DT&V (en daarmee de Minister) als verweerder moet worden aangemerkt. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling is er geen grond voor het oordeel dat buiten de gevallen waarin de vreemdeling onder de reikwijdte van de Rva 2005 valt, geen aanleiding voor het verlenen van verstrekkingen kan bestaan. De in artikel 3 van de Wet COa neergelegde wettelijke taak van het COa houdt ook in dat het opvang verleent in zeer bijzondere omstandigheden die tot feitelijke opvang nopen, voor zover deze omstandigheden niet vallen onder het bereik van de door de minister aangewezen categorieën van artikel 3 van de Rva 2005. Uit deze jurisprudentie volgt naar het oordeel van de voorzieningenrechter dat het intrekken van een vrijheidsbeperkende maatregel door de Minister niet zonder meer en in alle gevallen tot gevolg heeft dat het COa niet langer opvang hoeft te bieden. In zeer bijzondere gevallen kan er een noodzaak bestaan om de buitenwettelijke opvang na het intrekken van een vrijheidsbeperkende maatregel door de Minister voort te zetten en is het COa gehouden daartoe over te gaan. 3. COa heeft niet betwist dat het aan verzoeker opgelegde locatieverbod op rechtsgevolg is gericht. De voorzieningenrechter ziet geen reden om hier anders over te oordelen. Voor zover geen sprake zou zijn van een besluit, geldt dat de feitelijke beëindiging van de buitenwettelijke opvang door het COa naar het oordeel van de voorzieningenrechter moet worden aangemerkt als een handeling in de zin van artikel 3a, tweede lid, van de Wet COa. 4. Dat verzoeker veel langer dan de gebruikelijke twaalf weken in de VBL heeft verbleven en dat eerdere aankondigingen van beëindiging van de opvang niet tot het daadwerkelijk beëindigen van deze opgang hebben geleid, betekent niet dat verzoeker erop mocht vertrouwen dat de buitenwettelijke opvang steeds zou worden voortgezet of dat hem bij daadwerkelijke beëindiging van de opvang een overgangstermijn zou worden gegund. Verzoeker heeft ook voorts geen zeer bijzondere omstandigheden aangevoerd die nopen tot buitenwettelijke opvang.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen