Rb. Zeeland-West-Brabant 30 mei 2022, ECLI:NL:RBZWB:2022:2874

Belastingrentevergoeding ter zake van teruggaaf van bpm. Einduitspraak na beantwoording door de Hoge Raad van prejudiciële vragen. De rechtbank is het op twee onderdelen oneens met de wijze waarop de inspecteur de beslissing van de Hoge Raad leest wat betreft de ontvankelijkheid van het bezwaar. Wel is niet-ontvankelijk het bezwaar tegen de rentevergoeding ter zake van een ambtshalve teruggaaf van bpm. In de overige zaken is het beroep gegrond omdat de rentevergoeding te laag is aangezien het DNB-rentepercentage in de maand van voldoening hoger is dan het AWR-rentepercentage dat gold in de periode waarover de rente is berekend. De rechtbank kent een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn toe. De redelijke termijn is in dit geval wel verlengd wegens diverse omstandigheden, waaronder de vertraging die is opgetreden als gevolg van het wraken met misbruik van recht en het niet-komen naar de nadere zitting terwijl belanghebbende juist om die zitting had gevraagd.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken