Rb. Zeeland-West-Brabant 27 mei 2021, ECLI:NL:RBZWB:2021:2629
Dividendbelasting / internationaal, dividendbelastingzaken, fbi-vergelijking, drukvergelijking De rechtbank overweegt dat de inspecteur terecht de teruggaafverzoeken heeft afgewezen voor de perioden waarvoor de teruggaafregeling relevant is. Reeds omdat belanghebbende voor die perioden geen dividendnota’s heeft overgelegd en dus niet aannemelijk heeft gemaakt dat Nederlandse dividendbelasting ten laste van belanghebbende is ingehouden. Belanghebbende heeft bovendien niet (voldoende onderbouwd) gesteld dat rechtsherstel op een wijze zoals beschreven door de Hoge Raad tot een teruggaaf zou kunnen leiden. Verder heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat aan de zogenoemde dooruitdelingseis wordt voldaan. De rechtbank oordeelt dat ook de teruggaafverzoeken waarvoor het regime van de afdrachtvermindering relevant is, terecht zijn afgewezen. De Hoge Raad heeft beslist dat het vrije verkeer van kapitaal niet wordt belemmerd door de omstandigheid dat buiten Nederland gevestigde beleggingsinstellingen, in verband met het gegeven dat zij in Nederland niet inhoudingsplichtig zijn voor de dividendbelasting, niet in aanmerking komen voor een tegemoetkoming op grond van de regeling van de afdrachtvermindering. Bovendien, zelfs als wel sprake zou zijn van een ongerechtvaardigde belemmering, dan zou rechtsherstel zoals de Hoge Raad heeft voorgeschreven voor de teruggaafregeling, niet tot een teruggaaf kunnen leiden in de context van de afdrachtvermindering. Belanghebbendes beroep op de drukvergelijking faalt, reeds omdat daarvoor geen berekening is aangeleverd. Beroepen ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl