Rb. Zeeland-West-Brabant 1 september 2020, ECLI:NL:RBZWB:2020:4107

Artikel 7.8 Wet IB 2001 en artikel 21bis UBIB 2001. De rechtbank ziet in het betoog van belanghebbende geen aanleiding om voor de toepassing van artikel 21bis, eerste lid, onderdeel c, van het UBIB 2001 uitsluitend uit te gaan van het aan Frankrijk toegewezen inkomen. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de omstandigheid dat geen (Franse) inkomstenbelasting verschuldigd is geworden uitsluitend het gevolg is van de geringe hoogte van het inkomen, zoals het Unierecht en het daarop gebaseerde artikel 21bis van het UBIB 2001 vereist. Belanghebbende heeft voorts ook niet aannemelijk gemaakt dat een tegemoetkoming van algemene aard, zoals in het arrest Commissie v. Estland, daartoe redengevend is geweest. De overgelegde inkomensverklaring maakt het oordeel van de rechtbank niet anders, aangezien dit stuk dient als bewijsstuk voor de voorwaarde die is neergelegd in artikel 21bis, eerste lid, onderdeel b van het UBIB 2001. Een bredere of andere reikwijdte kan aan de verklaring niet worden toegekend.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken