Rb. Zeeland-West-Brabant 10 juni 2020, ECLI:NL:RBZWB:2020:2513

Belanghebbende, een rijnvarende in dienst van een Liechtensteinse werkgever, heeft in haar aangifte IB/PVV 2013 verzocht om vrijstelling voor premieheffing en om voorkoming van dubbele belasting. De inspecteur heeft beide verzoeken niet gehonoreerd. De rechtbank oordeelt als volgt. Nu niet is komen vast te staan dat een A1-verklaring aan belanghebbende is afgegeven moet aan de hand van internationale bepalingen worden nagegaan in welk land belanghebbende verzekerd en premieplichtig is. De rechtbank sluit zich aan bij de overwegingen van Hof Den Bosch (ECLI:NL:GHSHE:2020:1473). Het beroep op vrijstelling van de heffing van premie volksverzekeringen slaagt. Met betrekking tot de aftrek ter voorkoming van dubbele belasting heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat zij feitelijk onderworpen is geweest aan belastingheffing in Liechtenstein. De enkele verwijzing naar de jaaropgave van de werkgever is daarvoor onvoldoende nu de gegevens uit de loonadministratie van de werkgever geen antwoord geven op de vraag of Liechtensteinse wet- en regelgeving tot onderworpenheid van belanghebbende in Liechtenstein leidt. Aan belanghebbende wordt evenmin aftrek van Liechtensteinse verzekeringspremies toegekend omdat daarvoor inzicht nodig is in het soort premies en belanghebbende daarvoor onvoldoende heeft aangevoerd. Van schending van het zorgvuldigheidsbeginsel door de inspecteur is geen sprake. Beroep gegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken