Hof Den Haag 20 augustus 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:2310

Premieplicht volksverzekeringen. Rijnvarende. De SVB heeft een A1-verklaring afgegeven waarbij belanghebbende verzekerd is van 1 januari tot en met 31 juli 2013 in Nederland. De CRvB heeft bij uitspraak van 28 februari 2019 ECLI:NL:CRVB:2019:852 de A1-verklaring correct bevonden en de Inspecteur en belanghebbende hebben zich daarbij aangesloten. De Inspecteur had dit al beslist bij de uitspraak op bezwaar. Het Hof volgt het oordeel van de Rechtbank dat belanghebbende geen recht heeft op voorkoming van dubbele belasting. Op het loon van belanghebbende heeft geen voorheffing van IB plaatsgevonden. Voorts is niet aannemelijk geworden dat de werkgever een bedrag van het loon heeft afgezonderd met de bedoeling dit als loonbelasting af te dragen aan de Cypriotische of Liechtensteinse fiscus. Voor verrekening van ‘loonheffing’ is geen plaats. Het besluit Sts. v. Financiën van 7 april 2009, CPP2009/93M, Stcrt. 2009, 76 laat de door de werknemer zelf betaalde premies voor verzekeringen die naar aard en strekking vergelijkbaar zijn met de Nederlandse volks- en werknemersverzekeringen, waaronder de AWBZ, dan wel vergelijkbaar zijn met de Nederlandse Zvw niet in aftrek toe. De Inspecteur heeft daarom meer bijdragen in aftrek toegelaten dan waar belanghebbende recht op heeft. De redelijke termijn voor behandeling van bezwaar- en beroep en de hogerberoepsfase is niet overschreden. Geen reden voor vergoeding voor immateriële schade wegens lange duur van procedure. Terecht is geen proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase toegekend omdat de gemachtigde pas na het vaststellen van de aanslag de A1-verklaring uit Liechtenstein - op grond waarvan belanghebbende voor het tweede gedeelte van2013 in Nederland niet verzekerd is - heeft toegezonden.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken