Rb. Zeeland-West-Brabant 7 februari 2019, ECLI:NL:RBZWB:2019:596
Overdrachtsbelasting; art. 4, lid 3, Wet op belastingen van rechtsverkeer. Belanghebbende, een naar Duits recht opgerichte Kapitalverwaltungsgesellschaft, heeft aandelen verkregen in Nederlandse onroerendezaakrechtspersonen. Belanghebbende heeft de aandelen gekocht namens een Sondervermögen. Hiermee heeft belanghebbende de juridische eigendom van die aandelen gekregen en is zij in beginsel op grond van artikel 2, eerste lid, in verbinding met artikel 4 eerste lid, van de WBR overdrachtsbelasting verschuldigd. Omdat het Sondervermögen een afgescheiden vermogen heeft en het volledige belang bij de onroerendezaakrechtspersonen door het SV (dan wel de participanten) is verkregen, kan het belang in de onroerendezaakrechtspersonen nooit tot het vermogen van belanghebbende behoren of hebben behoord. Dit betekent dat belanghebbende niet ook een belang heeft verkregen als bedoeld in artikel 4, derde lid, van de WBR. Op de verkrijgingen van de aandelen in de onroerendezaakrechtspersonen is dan geen overdrachtsbelasting verschuldigd.
De uitspraak op rechtspraak.nl