Hof 's-Hertogenbosch 24 januari 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:236
[Belanghebbende] is een naar Duits recht opgerichte Kapitalverwaltungsgesellschaft. [Belanghebbende] verkrijgt alle aandelen in drie Nederlandse onroerendezaakrechtspersonen voor rekening en risico van een Duits Sondervermögen (SV). De participanten in het SV zijn ieder voor minder dan een derde deel gerechtigd tot de opbrengsten en de waarde van de verkregen aandelen. In geschil is de verschuldigdheid van overdrachtsbelasting over de verkrijging van de aandelen in de drie onroerendezaakrechtspersonen. In het bijzonder is in geschil het antwoord op de vraag of [Belanghebbende] een “belang” als bedoeld in artikel 4, derde lid, letter b van de WBR heeft verkregen. Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch beantwoordt deze vraag ontkennend. Het Hof leidt uit de wetgeschiedenis van artikel 4, derde lid, letter b van de WBR af dat het begrip “belang” materieel moet worden ingevuld. Hoewel [Belanghebbende] in strikt juridische zin eigenaar is van de aandelen, zijn die eigendomsrechten dusdanig beperkt dat naar oordeel van het Hof niet gezegd kan worden dat [Belanghebbende] een “belang” heeft bij de aandelen in de onroerendezaakrechtspersonen. [Belanghebbende] houdt de aandelen slechts voor rekening en risico van (de participanten van) het SV, waardoor het “belang” als bedoeld in artikel 4, derde lid, letter b van de WBR bij de participanten van het SV ligt. De slotsom is dat [Belanghebbende] geen overdrachtsbelasting is verschuldigd. Het hoger beroep is ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl