Rb. Zeeland-West-Brabant 15 augustus 2019, ECLI:NL:RBZWB:2019:3686
Vpb, fiscale eenheid (artikel 15 Wet Vpb), economische eigendom, navorderingsgrond (artikel 16 AWR), tijdelijke regeling voor willekeurige afschrijving (artikel 3.34 Wet IB 2001) Belastingconstructie om gebruik te maken van de tijdelijke regeling voor willekeurige afschrijving via een scheepvaart-CV. De belastingconstructie slaagt niet omdat geen fiscale eenheid Vpb tot stand is gekomen tussen belanghebbende met haar dochtermaatschappij die participeerde in de scheeps-CV. Er is niet aannemelijk gemaakt dat belanghebbende de economische eigendom had van de aandelen in haar dochtermaatschappij gelet op de exitmogelijkheid. Ten tijde van het aangaan van de fiscale eenheid Vpb was zo goed als zeker dat belanghebbende de aandelen in haar dochtermaatschappij tegen € 1 zou verkopen en niet aannemelijk is geworden dat er een reële kans is geweest dat de aandelen een hogere waarde zouden hebben dan € 1. Het betoog dat daadwerkelijk risico is gelopen omdat in totaal € 841.900 op de aandelen is gestort en belanghebbende daar slechts € 1 voor heeft teruggekregen, slaagt niet. Het door belanghebbende gestorte bedrag was weliswaar formeel een kapitaalstorting, maar economisch was dat bedrag een investering om het fiscale voordeel te verkrijgen. Nu belanghebbende niet de economische eigendom van de aandelen in haar dochtermaatschappij had, is nimmer voldaan aan de voorwaarden voor totstandkoming van de fiscale eenheid Vpb. Dat de inspecteur daartoe wel een beschikking heeft afgegeven maakt dit niet anders. Er is sprake van een nieuw feit. Dat belanghebbende een onherroepelijk en onvoorwaardelijk bod op de aandelen zou krijgen en hoe de prijs van de aandelen zou worden vastgesteld en wat de minimale prijs van de aandelen zou zijn, blijkt uit stukken waarover de inspecteur niet eerder beschikte. Er is geen sprake van een ambtelijk verzuim. De inspecteur heeft eerder alleen onderzoek gedaan naar de kwalificatie van de CV. Voor de inspecteur bestond geen verdere onderzoeksplicht omdat ten tijde van het opleggen van de aanslag de geenszins onwaarschijnlijke mogelijkheid bestond dat het juist was dat sprake was van een fiscale eenheid Vpb. Dat de investering in de scheeps-CV in een bedrijfsgesprek door belanghebbende aan de orde is gesteld maakt niet dat niet aan het nieuwfeitvereiste is voldaan.
De uitspraak op rechtspraak.nl