Hof 's-Hertogenbosch 5 november 2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:3361

Belanghebbende en E BV hebben op 25 februari 2011 verzocht om met ingang van 29 oktober 2010 (oprichtingsdatum E BV) vennootschapsbelasting te heffen alsof er sprake is van één belastingplichtige (verzoek fiscale eenheid). De inspecteur is bij brief van 21 maart 2011 tegemoet gekomen aan het verzoek. E BV participeert in een besloten scheepvaart CV en schrijft in 2010 ruim € 3 miljoen willekeurig af op een schip. Dit verlies komt in mindering op de winst van de fiscale eenheid. In 2010 leidt de fiscale eenheid een verlies van ruim € 2 miljoen. De aanslag Vpb 2010 wordt overeenkomstig de aangifte opgelegd en er wordt een verliesbeschikking afgegeven. Enige jaren later stelt de inspecteur een boekenonderzoek in en komt tot de conclusie dat belanghebbende nimmer het bezit heeft gehad van de economische eigendom van de aandelen in E BV en dat de fiscale eenheid tussen belanghebbende en E BV nimmer tot stand is gekomen. De inspecteur legt een navorderingsaanslag Vpb 2010 op en herziet de verliesbeschikking. Belanghebbende is van mening dat zij wel de economische eigendom van de aandelen E BV had. In deze zaak is in hoger beroep enkel in geschil de vraag of voor het jaar 2010 sprake is van een fiscale eenheid tussen belanghebbende en E BV. Het hof stelt vast dat anders dan in veel gevallen waarin (op verzoek) door de inspecteur een beschikking wordt afgegeven, in artikel 15, lid 8 Wet Vpb 1969 niet de mogelijkheid is opgenomen om een reeds afgegeven beschikking ten nadele van belastingplichtigen te herzien, al dan niet onder voorwaarden en/of met terugwerkende kracht. Dit roept de vraag op of onjuiste beschikkingen ten nadele van belastingplichtigen ook zonder wettelijke grondslag kunnen worden herzien, en als dat al zou kunnen of dat met terugwerkende kracht mogelijk is. Het hof is geneigd deze vraag in beginsel ontkennend te beantwoorden. Zou immers ongeacht de wettelijke redactie herziening mogelijk zijn dan zouden alle bepalingen waarin een wettelijke grondslag tot herziening is opgenomen zinledig zijn. Bovendien zou het rechtzekerheidsbeginsel, dat volgens het hof ten grondslag ligt aan de in artikel 15 Vpb neergelegde verzoekprocedure, worden ondergraven. Volgens het hof dient de rechtszekerheid evenwel te wijken indien de beschikking is afgegeven op grond van opzettelijk of grofschuldig door belastingplichtigen verstrekte onjuiste of onvolledige informatie waardoor de inspecteur op het verkeerde been is gezet. Het hof stelt vast dat geen sprake is van het opzettelijk of grofschuldig verstrekken van onjuiste of onvolledige informatie door belanghebbende. Ten overvloede concludeert het hof dat de inspecteur, gegeven de informatie waarover de inspecteur beschikte dan wel kon beschikken, in zijn onderzoeksplicht met betrekking tot het verzoek fiscale eenheid te kort is geschoten. De conclusie is dat, in ieder geval voor het jaar 2010, de beschikking fiscale eenheid door de inspecteur dient te worden gerespecteerd, dat de navorderingsaanslag ten onrechte is opgelegd en de verliesbeschikking ten onrechte is herzien.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken