Rb. Zeeland-West-Brabant 9 mei 2019, ECLI:NL:RBZWB:2019:2189
Artikel 16 en 27e AWR. Doorwerking omkering van de bewijslast bij een informatiebeschikking naar de verlengde navorderingstermijn. Uitleg begrip ‘bestanddeel’ in artikel 16(4) AWR. De rechtbank gaat in deze uitspraak onder meer in op twee kwesties. (1) Heeft omkering van de bewijslast op de grond dat ‘sprake is van een onherroepelijk geworden informatiebeschikking’ – anders dan omkering op de grond dat niet de vereiste aangifte is gedaan – wél betrekking op de vraag of navordering mogelijk is met toepassing van de verlengde navorderingstermijn? Verhouding tussen BNB 2018/88 en de KB-lux-jurisprudentie? Als de eerste vraag ontkennend zou worden beantwoord: (2) Brengt de omstandigheid dat vaststaat dat belanghebbende (eerder niet-aangegeven) vermogen heeft gehouden in het buitenland reeds mee dat aan de voorwaarden voor navordering met toepassing van de verlengde navorderingstermijn is voldaan en wel ook in die zin dat het geschil over de hoogte van het buitenlandse vermogen verder moet worden beslist met toepassing van omkering van de bewijslast? Hoe ruim of eng moet het begrip ‘bestanddeel’ in artikel 16(4) AWR worden opgevat?
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HR 16 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:303
- HR 16 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:359
- Rb. Zeeland-West-Brabant 27 juli 2017, ECLI:NL:RBZWB:2017:4658
- HR 1 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1105
- HR 13 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0891
- HR 15 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN6324
- HR 26 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ9092
- HR 26 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ9120
- HR 31 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE8092