Rb. Zeeland-West-Brabant 27 juli 2017, ECLI:NL:RBZWB:2017:4658
Inkomstenbelasting en formeel / verlengde navorderingstermijn artikel 16, vierde lid van de AWR / is inkomen (box 1 en box 2) in het buitenland opgekomen? / verhouding omkering van de bewijslast en bewijslast met betrekking tot artikel 16, vierde lid van de AWR In het kader van de inkeerregeling heeft belanghebbende (een autohandelaar met zwarte omzet) melding gemaakt van contante stortingen op bankrekeningen in Luxemburg. Niet in geschil is dat in elk van de betrokken jaren sprake is van omkering van de bewijslast. De inspecteur heeft, naast de box 3-correcties, ook de gestorte bedragen in het jaar van storting nagevorderd als inkomen in box 2 respectievelijk box 1. De vraag is of de verlengde navorderingstermijn ook van toepassing is met betrekking tot dat inkomen. De rechtbank oordeelt dat de inspecteur aannemelijk moet maken dat sprake is van in buitenland opgekomen inkomen, en acht de inspecteur daarin geslaagd. Voor het eerste jaar is dat het geval, omdat de winstuitdeling pas plaatsvond met de onttrekking van de geldmiddelen aan de zwarte kas voor storting op de Luxemburgse rekening. Gelet op de omstandigheden is daarmee sprake van in het buitenland opgekomen inkomen. Voor twee andere jaren heeft belanghebbende erkend dat een deel van de zwarte omzet in het buitenland is behaald en ook voor het vierde jaar acht de rechtbank dit aannemelijk. Wat betreft de hoogte van de correcties heeft niet de inspecteur de bewijslast maar geldt de omkering van de bewijslast. Het is naar het oordeel van de rechtbank niet willekeurig om ervan uit te gaan dat voor het volledige bedrag van de winstcorrectie sprake is van inkomen dat in het buitenland opgekomen is. Belanghebbende slaagt niet in de verzwaarde bewijslast. Beroepen ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl