Rb. Zeeland-West-Brabant 25 oktober 2018, ECLI:NL:RBZWB:2018:5973

Verdachte is veroordeeld voor gewoontewitwassen gedurende een lange periode (ruim 1,3 miljoen euro), valsheid in geschrift, afpersingen, bedreiging en (zware) mishandeling. Vrijspraak voor (uitlokking van) brandstichting en het tot ontploffing brengen van een handgranaat. Hij wordt door de rechtbank veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 jaar, met aftrek van het voorarrest. De vordering van een benadeelde partij is gedeeltelijk toegewezen. Bijzondere overwegingen mbt nietigheid dagvaarding en ontvankelijkheid openbaar ministerie.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Tekst

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
parketnummer: 02/811160-13
vonnis van de meervoudige kamer d.d. 25 oktober 2018
in de strafzaak tegen
[Verdachte]
geboren op [geboortedag] 1967 te [geboorteplaats]
wonende te [adres]
raadslieden mr. N. van Schaik, advocaat te Utrecht en
mr. S. Schuurman, advocaat te Breukelen.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 23, 24, 28 en 29 augustus 2018 en 25 oktober 2018, waarbij de officieren van justitie mr. Van Dorst en mr. Van Damme en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Het onderzoek ter terechtzitting is gesloten op de zitting van 25 oktober 2018.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering. De volledige tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Aan verdachte zijn acht feiten tenlastegelegd, op basis van vier onderzoeken. Kort samengevat wordt hij verdacht van:

Onderzoek Bottel

1 brandstichting in 2012 in een woning in Halsteren (van [naam 1] ), dan wel uitlokking van die brandstichting;

2 het in 2012 laten ontploffen van een handgranaat onder een personenauto (van de schoonvader van [naam 1] );

Onderzoek Apollo

3 het in de jaren 2007 tot en met 2016 witwassen van ruim 1,7 miljoen euro door middel van onder meer leningen en auto’s;

4 het vervalsen van nota’s met betrekking tot zeven auto’s in 2009-2011;

Onderzoek Zalm

5 afpersing en/of mishandeling van [naam 2] in 2013-2015;

Onderzoek Jonkoping

6 afpersing van [naam 3] in 2014-2015;

7 zware mishandeling van [naam 3] in september 2014;

8 bedreiging van [naam 3] in 2014-2015.

3 De voorvragen

3.1 De geldigheid van de dagvaarding
De verdediging heeft ten aanzien van feit 3, het onderzoek Apollo, aangevoerd dat steeds tot uitgangspunt is genomen dat een aantal specifiek omschreven leningen en autotransacties geen echte, maar gefingeerde handelingen waren om het bestaan van een contante, criminele inkomstenbron te verhullen. Tijdens het requisitoir van de officieren van justitie is aangegeven dat een gedetailleerde bewijsvoering per transactie achterwege kan blijven omdat álles uiteindelijk als vermengd vermogen kan worden beschouwd. Een aantal transacties is zelfs niet meer genoemd tijdens het requisitoir. De opvatting van het openbaar ministerie is evident niet wat de steller van de tenlastelegging voor ogen heeft gehad en is ook met de bewoordingen van die tenlastelegging niet verenigbaar. Hiermee hebben de officieren van justitie in het requisitoir de grondslag van de tenlastelegging verlaten. Geconcludeerd wordt dat de thans voorliggende tenlastelegging ten aanzien van feit 3 nietig moet worden verklaard omdat deze geen werkbare formulering van het verweten feit inhoudt.
Ter zitting hebben de officieren van justitie zich op het standpunt gesteld dat de dagvaarding, in samenhang bezien met het dossier, voldoende duidelijk is. Het standpunt van het openbaar ministerie is dat de handelwijze van verdachte één grote witwasmachine is waar veel geld in gaat. Het standpunt van de verdediging wordt door het openbaar ministerie zo opgevat dat enkel sprake zou zijn van een aantal geldleningen en autotransacties. Dit is in de ogen van het openbaar ministerie een verschil van inzicht waar de rechtbank zich over moet uitlaten en dat niet de geldigheid van de dagvaarding raakt.
De rechtbank is van oordeel dat de tenlastelegging, in samenhang bezien met het dossier, voldoende duidelijk is. De dagvaarding ten aanzien van feit 3 bevat een opgave van het tenlastegelegde feit, omstreeks welke tijd en waar het is begaan, de wettelijke voorschriften waarbij het feit strafbaar is gesteld en de omstandigheden waaronder het feit zou zijn begaan. De enkele omstandigheid dat de officieren van justitie ter zitting bij het requisitoir de tenlastelegging anders hebben geïnterpreteerd dan de verdediging doet, maakt de tenlastelegging op dit onderdeel niet ongeldig.
De rechtbank is van oordeel dat de tenlastelegging aan de eisen van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering voldoet. De dagvaarding is daarom geldig.

3.2 De bevoegdheid van de rechtbank
De rechtbank is bevoegd.

3.3 De ontvankelijkheid van de officier van justitie
De verdediging heeft aangevoerd dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk verklaard moet worden in de vervolging van verdachte. Daartoe is, kort samengevat, aangevoerd dat sprake is van een vooringenomenheid bij de politie en het openbaar ministerie, welke vooringenomenheid onder meer blijkt uit de werkwijze van de politie waarbij een dossier tegen verdachte is opgebouwd zonder daarbij te doen aan waarheidsvinding. Stelselmatig zijn getuigen onder druk gezet of geholpen in hun eigen strafzaken, in ruil voor een verklaring tegen verdachte [Verdachte] . Dit levert niet alleen een schending van het recht op een eerlijk proces en een schending van de onschuldpresumptie op, ook levert het een zeer onbetrouwbaar en ongeloofwaardig dossier op. De politie heeft niet alleen onjuiste verklaringen uitgelokt bij getuigen, maar getuigen zijn op een dusdanige wijze onder druk gezet dat zij achteraf aangifte hebben gedaan of hebben geklaagd over de druk die de politie heeft opgelegd.
Daarnaast is aangevoerd dat sprake is geweest van een “trial by media” doordat het openbaar ministerie in de media verdachte, zonder dat hij veroordeeld was voor enig strafbaar feit, in verband heeft gebracht met georganiseerde misdaad en liquidaties. Dit alles heeft ervoor gezorgd dat verdachte in de media dusdanig is zwart gemaakt met feiten die niet op de tenlastelegging staan, dat het leidt tot een oneerlijk proces.
De officieren van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is geweest van onrechtmatige beïnvloeding van getuigen. Gemaakte documentaires en in de pers verschenen artikelen vallen onder vrije nieuwsgaring waarvoor het openbaar ministerie niet verantwoordelijk is. De rechtbank dient te beoordelen of sprake is van ernstige inbreuken op de beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling is tekortgedaan. Daarvan is volgens het openbaar ministerie hier geen sprake.
De rechtbank stelt vast dat in deze zaken een groot aantal getuigen is gehoord. Er kunnen zich situaties voordoen dat politiefunctionarissen een bepaalde mate van druk moeten uitoefenen bij het horen van getuigen, maar de politie dient hierbij wel grenzen in acht te nemen. De rechtbank is echter in deze zaken niet gebleken van een dermate hoge druk op getuigen dat geoordeeld moet worden dat sprake is geweest van onrechtmatig optreden van de politie. Bij de beoordeling van het bewijs zal de rechtbank vanzelfsprekend telkens kritisch kijken naar door getuigen afgelegde verklaringen.
Ten aanzien van de opvatting dat getuigen, waaronder [naam 3] , beloften dan wel giften zijn gedaan, overweegt de rechtbank dat het dossier geen aanknopingspunten bevat dat [naam 3] en/of andere getuigen op enigerlei wijze toezeggingen, beloften of giften zijn gedaan in ruil voor een belastende verklaring tegen verdachte [Verdachte] in deze zaken.
De rechtbank stelt verder vast dat zowel de verdediging als het openbaar ministerie tijdens deze strafprocedure de media totaal niet heeft geschuwd en zelfs actief heeft opgezocht. Dit blijkt uit het diverse malen verschijnen van artikelen en/of documentaires in zowel de landelijke als regionale media. De rechtbank acht het van zowel de verdediging als het openbaar ministerie onhandig, ongepast en zeker niet chic om gedurende een strafprocedure actief de media te benaderen. Een strafproces dient in de zittingzaal gevoerd te worden en niet in de media. Het media-optreden van de verdediging en het openbaar ministerie heeft een goede procesvoering niet bevorderd. De rechtbank merkt hierbij op dat het optreden van het openbaar ministerie in de media ook niet altijd even magistratelijk is geweest. De berichtgeving vanuit het openbaar ministerie is echter niet zodanig geweest dat moet worden gesproken van een ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling is tekortgedaan. Het spreekt uiteraard voor zich dat deze gang van zaken niet van invloed is geweest op de inhoudelijke beoordeling van deze zaken door de rechtbank.
Het verweer wordt dan ook verworpen en de officieren van justitie zijn ontvankelijk in de vervolging.

3.4 De schorsing van de vervolging
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

Algemene overweging

Alvorens hierna in te gaan op de afzonderlijke onderzoeken zal de rechtbank eerst een algemene overweging wijden aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van getuigen die aan de rechtbank zijn voorgelegd.

Een aantal getuigen die in de diverse onderzoeken is gehoord, is zelf verdachte geweest of is dat nog steeds. Enkele getuigen zijn zelf ook veroordeeld voor het plegen van misdrijven, waaronder ook misdrijven die gerelateerd kunnen worden aan onderzoeken die verdachte [Verdachte] raken. De rechtbank realiseert zich dat een aantal van die getuigen mogelijk belang heeft gehad bij de door hen afgelegde verklaringen. Daardoor kunnen verklaringen “gekleurd” zijn of lijken te zijn. Dit noopt de rechtbank ertoe dan ook steeds kritisch naar verklaringen te kijken en eerst dan te gebruiken voor het bewijs indien daarvoor voldoende steunbewijs voorhanden is.

De vraag of er voldoende wettig en overtuigend bewijs is, zal hierna per zaaksdossier worden besproken.

4.1 ONDERZOEK BOTTEL

4.1.1 Het standpunt van de officieren van justitie
Het volledige standpunt van de officieren van justitie is ten aanzien van alle onderzoeken weergegeven in het proces-verbaal van de zitting.
Zij achten wettig en overtuigend bewezen dat verdachte hetgeen hem is tenlastegelegd onder de feiten 1 primair en 2 heeft gepleegd.
Ten aanzien van feit 1, de brandstichting aan de woning van [naam 1] en [naam 4] , baseren zij zich met name op camerabeelden en een forensische rapportage. De betrokkenheid van verdachte bij deze brandstichting baseren zij met name op getuigenverklaringen, in het bijzonder op de verklaringen van [naam 1] , [naam 4] , [naam 5] , [naam 3] en [naam 6] . Het is getuige [naam 5] geweest die heeft verklaard dat verdachte hem opdracht heeft gegeven tot het plegen van dit feit. Het motief zou liggen in een conflict tussen verdachte en [naam 1] .
Ten aanzien van feit 2, de ontploffing van een handgranaat onder de auto van de ouders van [naam 4] , baseren de officieren van justitie zich op ketenbewijs. Het onderliggende conflict ligt naar hun opvatting ten grondslag aan beide feiten. Het bewijs voor de brandstichting werkt daarom door in het bewijs voor de ontploffing.

4.1.2 Het standpunt van de verdediging
Het volledige standpunt van de verdediging is ten aanzien van alle onderzoeken weergegeven in het proces-verbaal van de zitting.
De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen ten aanzien van de feiten 1 en 2. Er is geen enkel bewijs dat verdachte bij de brandstichting aanwezig is geweest. Evenmin is sprake van een nauwe en bewuste samenwerking.
Ook van medeplegen van uitlokking van brandstichting is geen sprake. De verdediging heeft daarbij gewezen op de vreemde totstandkoming van de verklaring van [naam 5] waarin hij aangeeft dat de opdracht is gekomen van “ [bijnaam] ”. De omschrijving van de persoon, die hij “ [bijnaam] ” noemt, lijkt absoluut niet op verdachte. Vervolgens is de verklaring dat “ [bijnaam] ” de opdrachtgever zou zijn door [naam 5] ingetrokken.
De overige in het dossier aanwezige verklaringen van getuigen duiden juist op betrokkenheid van andere personen dan verdachte bij de brandstichting op de woning van [naam 1] en [naam 4] .
Ten aanzien van feit 2 ontbreekt elk concreet bewijs dat verdachte betrokken is geweest bij het gooien van een handgranaat onder de auto van de ouders van [naam 4] . Er is geen DNA van verdachte aangetroffen, er zijn geen getuigen die verklaren dat ze verdachte hebben gezien, er is geen sporenonderzoek dat naar verdachte leidt en er is geen overig bewijs dat ook maar enige indicatie geeft dat verdachte hierbij betrokken zou zijn.

4.1.3 Het oordeel van de rechtbank
Feit 1 brandstichting
Op 10 maart 2012 is brand gesticht aan de woning gelegen aan de [straatnaam 1] in Halsteren. Op camerabeelden is te zien dat de brand is gesticht door 2 personen. Een van die personen is [naam 5] Hij is, na het bekennen van deze brandstichting, hiervoor veroordeeld. [naam 5] heeft niet willen verklaren met wie hij de brandstichting heeft gepleegd. De rechtbank is uit het voorhanden zijnde dossier op geen enkele wijze gebleken dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [naam 5] en verdachte ten aanzien van het plegen van deze brandstichting. Ter zitting hebben de officieren van justitie daarvoor ook geen bewijs kunnen aanleveren. Het moet er dan ook voor gehouden worden dat [naam 5] dit feit niet met verdachte maar samen met een ander heeft gepleegd.
Gelet hierop wordt verdachte vrijgesproken van hetgeen hem onder feit 1 primair, het medeplegen van brandstichting, is tenlastegelegd.
De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of het verdachte is geweest die deze brandstichting samen met een ander heeft uitgelokt.
Op 8 juni 2012 heeft officier van justitie mr. Van Delft [naam 5] bezocht in het cellencomplex van de rechtbank, omdat hij het vermoeden had dat [naam 5] niet het brein achter de brandstichting was. [naam 5] is gevraagd om te helpen met het opsporen van de personen die hiervoor verantwoordelijk zijn. Daarbij is aangegeven dat, wanneer duidelijk zou zijn wie er voor dit feit verantwoordelijk zijn, met de positie van [naam 5] als uitvoerder rekening gehouden zou worden. [naam 5] heeft daarop verteld dat hij via via is benaderd, maar dat hij het moeilijk vond om namen te geven. Uiteindelijk heeft [naam 5] aangegeven dat hij is benaderd bij een garagebedrijf in Bergen op Zoom. Hem is daar gevraagd of hij interesse had om een brand te stichten. Dat werd hem gevraagd door een persoon die hij kent als “ [bijnaam] ”. Het werd hem 2 dagen voor de brand gevraagd en hij zou er € 1.000,= voor krijgen. De persoon die in het huis woonde, zou nog geld schuldig zijn aan de jongens die in het garagebedrijf kwamen. Eigenaar van het garagebedrijf was ene [naam 3] .
Later die dag heeft [naam 5] bij de politie verklaard dat hij tegenover de officier van justitie zo open was omdat hij de hoop had dat hij dan eerder weg kon. Vervolgens hebben de verbalisanten tegen [naam 5] gezegd dat hij die ochtend heeft gezegd dat het “ [Verdachte] ” was, waarna [naam 5] zei: “ [bijnaam] ”. Op de vraag hoe “ [bijnaam] ” er uitzag heeft [naam 5] verklaard dat hij een normaal postuur heeft, een snor, een beetje krulhaar, halflang haar, kleur weet hij niet, tussen de veertig en vijftig. Iemand die zich gedraagt alsof hij dé man is.
Op 13 juni 2012 werd [naam 5] vervolgens een foto van verdachte [Verdachte] getoond waarna hij heeft aangegeven dat dat “ [bijnaam] ” is. Enkele weken later, op 3 juli 2012, heeft [naam 5] verklaard dat “ [bijnaam] ” niet de persoon is die hem heeft benaderd voor de brandstichting. Hij weigerde vervolgens aan te geven wie het wel was, omdat er anders een kans bestond dat hij een gaatje in zijn kop zou krijgen.
Bij de rechter-commissaris heeft [naam 5] verklaard dat hij geen opdracht heeft gekregen van [Verdachte] om de brand te stichten. De opdracht zou hij van iemand anders hebben gekregen. Voor zover hij weet, heeft [Verdachte] er niets mee te maken.
De rechtbank is van oordeel dat de verklaring, zoals [naam 5] die heeft afgelegd op 8 juni 2012 tegenover officier van justitie mr. Van Delft niet bruikbaar is voor het bewijs. In het door officier van justitie mr. Van Delft opgemaakte proces-verbaal van bevindingen komt de naam “ [Verdachte] ” in het geheel niet voor. De door [naam 5] opgegeven kenmerken van “ [bijnaam] ”, te weten een beetje krulhaar, halflang, komen niet overeen met de foto van verdachte [Verdachte] die op 13 juni 2012 aan [naam 5] is getoond. Verdachte heeft op die foto geen halflang maar kort haar. Verdachte heeft hierover zelf ter zitting ook verklaard dat hij toen geen halflang haar had. De opmerking van de verbalisanten op 8 juni 2012 dat [naam 5] eerder die ochtend zelf de naam “ [Verdachte] ” had genoemd komt ook niet overeen met het proces-verbaal van bevindingen van officier van justitie mr. Van Delft. De rechtbank is op grond hiervan en op grond van de omstandigheid dat [naam 5] in een later stadium is teruggekomen op zijn verklaring tegenover officier van justitie mr. Van Delft en uitdrukkelijk heeft verklaard dat het niet verdachte is geweest die hem de opdracht tot de brandstichting heeft gegeven, van oordeel dat de verklaring van 8 juni 2012 onvoldoende betrouwbaar is om tot bewijs te dienen.
De betrokkenheid van verdachte bij uitlokking van deze brandstichting kan ook niet afgeleid worden uit de overige verklaringen van getuigen of bevindingen van de politie. Getuige [naam 1] heeft verklaard dat hij denkt dat het van [Verdachte] komt. Hij zou vaker brand hebben gesticht en ook een handgranaat hebben gegooid. Vermoedens van betrokkenheid van verdachte bij deze brandstichting worden ook geuit door de getuigen [naam 3] en [naam 4] . Maar meer dan vermoedens is de rechtbank uit hun verklaringen niet gebleken.
De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat het dossier ook onvoldoende aanknopingspunten biedt voor bewijs dat verdachte betrokken is geweest bij hetgeen hem onder feit 1 subsidiair, het medeplegen van uitlokking van brandstichting, is tenlastegelegd. Ook in zoverre wordt verdachte vrijgesproken.
Feit 2 ontploffing
Op 3 maart 2012 is gedurende de nacht een explosief tot ontploffing gebracht onder een personenauto die geparkeerd stond op de oprit bij een woning gelegen aan de [straatnaam 2] in Halsteren. Dit betreft de woning van de ouders van [naam 4] Getuige [naam 3] heeft verklaard dat hij van verdachte het huis van de ouders van [naam 4] moest aanwijzen, hetgeen hij gedaan heeft. Verdachte heeft dit ter zitting ook bekend en verklaard dat hij op zoek was naar [naam 1] en daarom wel 25 adressen in Bergen op Zoom heeft aangedaan.
Meer dan dit bevat het dossier, voor zover het verdachte betreft, niet. Enkele getuigen vermoeden weliswaar dat verdachte erbij betrokken is, echter verder dan die vermoedens komen zij niet.
De rechtbank is daarom van oordeel dat er geen enkel bewijs voorhanden is waaruit enige betrokkenheid van verdachte bij dit feit blijkt. Verdachte wordt dan ook vrijgesproken van feit 2.

4.2 ONDERZOEK ZALM

4.2.1 Het standpunt van de officieren van justitie
De officieren van justitie achten wettig en overtuigend bewezen dat verdachte hetgeen hem onder feit 5 is tenlastegelegd, te weten afpersing en mishandeling van [naam 2] , heeft gepleegd. Zij baseren zich daarbij met name op verklaringen van slachtoffer [naam 2] , afgelegd bij de politie en bij de rechter-commissaris, op verklaringen van diverse getuigen, op tapgesprekken, foto’s en op verklaringen van verdachte zelf.
[naam 2] heeft verklaard dat hij opdrachten kreeg van verdachte en dat deze opdrachten onmogelijk waren om uit te voeren. Hierdoor ontstonden schulden aan verdachte die vervolgens niet voldaan konden worden, waarna er door verdachte ‘boetes’ werden opgelegd. Verdachte heeft zich laten inkopen bij het bedrijf van [naam 2] ( [naam 7] ), een oldtimer moest verplicht gerepareerd worden en een personenauto van de vader van [naam 2] moest worden afgestaan aan verdachte. Dit alles ging gepaard met mishandelingen, intimidaties en bedreigingen.
De officieren van justitie hebben daarbij opgemerkt dat een aantal getuigen bang zijn om een verklaring af te leggen of door verdachte zijn bewogen om hun verklaring ten gunste van hem aan te passen.

4.2.2 Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen. Daartoe is, kort samengevat, het volgende aangevoerd.
Verklaringen die door [naam 2] zijn afgelegd kunnen op een aantal punten niet kloppen, met name wat betreft de tijdslijn. De inkoop van verdachte in [naam 7] was in 2013, terwijl de mislukte aankoop van een auto in Denemarken/Duitsland pas in 2014 heeft plaatsgevonden.
Verder is gewezen op de zeer wisselende verklaringen van [naam 2] , onder meer ten aanzien van de vermeende aanleiding voor het conflict tussen hem en verdachte en ten aanzien van het schietincident op 20 maart 2015. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaringen van [naam 2] onbetrouwbaar zijn.
Een aantal getuigen heeft verklaard gehoord te hebben dat [naam 2] werd mishandeld en afgeperst, echter zij hebben dit allemaal via via gehoord, nadat [naam 2] verdachte had neergeschoten. Zelf hebben zij niets gezien.
Van een mishandeling van [naam 2] bij het garagebedrijf van [naam 3] blijkt niet. De verklaring van [naam 2] over deze vermeende mishandeling wordt weerlegd door onder meer verklaringen van de getuigen [naam 8] en [naam 9] .
Verzocht is verder om de verklaringen van de getuigen [naam 10] en [naam 11] uit te sluiten voor het bewijs, omdat de verdediging niet de gelegenheid heeft gehad deze getuigen te ondervragen. Mocht de rechtbank die verklaringen toch willen gebruiken, dan wordt verzocht de behandeling van de zaak aan te houden teneinde deze getuigen te horen.
Ten aanzien van de auto van de vader van [naam 2] is aangevoerd dat de verklaring van [naam 2] op dit punt volstrekt onlogisch en ongeloofwaardig is.
Ten slotte wordt de bewering van [naam 2] dat hij ontzettend bang is van verdachte tegengesproken door het eigen gedrag van [naam 2] .

4.2.3 Het oordeel van de rechtbank
Op 20 maart 2015 vond in het Belgische Poppel een schietincident plaats waarbij verdachte werd beschoten door [naam 2]. Dit schietincident en informatie vanuit het Team Criminele Inlichtingen is aanleiding geweest voor de politie om nader onderzoek te verrichten. In dat kader is [naam 2] diverse malen gehoord en zijn door hem verklaringen afgelegd. In die verklaringen zijn diverse incidenten naar voren gekomen.
De rechtbank heeft met de verdediging geconstateerd dat de tijdslijn van de diverse incidenten zoals [naam 2] die in eerste instantie tegenover de Belgische politie heeft geschetst, niet kan kloppen. Zo heeft hij aangegeven dat de mislukte aankoop van een personenauto in Denemarken het eerste incident zou zijn geweest. De rechtbank is gebleken dat dit gelet op het tijdsverloop inderdaad niet kan kloppen. Echter, [naam 2] is later teruggekomen op deze verklaring. Al op 1 april 2015 heeft hij tegenover de Belgische politie verklaard dat de mislukte autodeal in tijd na de incidenten met de Cadillac en de gebroken neus (januari 2014) kwam.
Ook bij zijn verhoor op 8 september 2016 door de Nederlandse politie heeft [naam 2] verklaard dat het niet klopt dat in de tijdslijn de oorzaak van de mishandeling en afpersing door verdachte zou zijn ontstaan na de mislukte deal met de auto uit Denemarken. In dat verhoor is [naam 2] een tijdslijn voorgehouden door de politie. Deze houdt in:
- augustus 2013: mishandeling met blauw oog als gevolg;
- augustus 2013 tot en met november 2014: inschrijving van [Verdachte] bij [naam 7] en betaling loon 3000 per maand;
25 september 2013: afstaan van de Mercedes van de vader van [naam 2] aan [Verdachte] ;
omstreeks 22 december 2013: gebroken neus geslagen in de badkamer van [Verdachte] ;
periode voor januari 2014: repareren oldtimer Cadillac, kosten 47.000 euro;
februari/maart 2014: mislukte autodeal in Denemarken van 62.500 euro;
februari/maart 2015: afstaan motor die inbeslaggenomen was door politie/belastingdienst.
Over deze geschetste tijdslijn heeft [naam 2] verklaard dat deze zo wel kan kloppen, met uitzondering van de datum 22 december 2013 van het incident in de badkamer bij verdachte. Dit moet volgens hem omstreeks 12 januari 2014 zijn geweest.
De rechtbank stelt vast dat [naam 2] over de volgorde in tijd van de incidenten verschillend heeft verklaard. Dit is voor de rechtbank echter onvoldoende reden om alle verklaringen van [naam 2] als onbetrouwbaar te beschouwen, nu zijn verklaringen op meerdere onderdelen wel steun vinden in andere bewijsmiddelen.
[naam 2] en verdachte hebben elkaar leren kennen via de autohandel. [naam 2] handelde in vrij exclusieve auto’s. Vanaf 2012/2013 hebben zich problemen voorgedaan tussen verdachte en [naam 2] waar, voor laatstgenoemde, financiële verplichtingen uit voortgekomen zijn. [naam 2] heeft hierover verklaard dat hij door verdachte ervoor verantwoordelijk werd gehouden als zaken niet goed gingen.
[naam 2] heeft verklaard dat hij de reputatie van verdachte goed kent. Hem is door verdachte altijd op het hart gedrukt dat, wanneer hij in welke hoedanigheid dan ook, een voor verdachte belastende verklaring zou afleggen, [naam 2] en zijn gezin geen recht van bestaan meer zouden hebben. Hij is mishandeld door verdachte. Door verdachte is hem diverse malen gezegd dat hij, als [naam 2] niet zou betalen, zijn vrouw door de knieën zou schieten, hij zou haar kaal scheren en als hij niet snel zou betalen zou hij een man of vier, vijf van de club binnenzetten en zijn vrouw zo lang misbruiken tot er niets meer van over was. Hij zou mannen van de motorclub langs sturen om zijn vrouw te verkrachten.
De keren dat verdachte [naam 2] mishandeld heeft, heeft hij er ook steeds op aangedrongen dat [naam 2] er met niemand over mocht praten. [naam 2] werd met een stok afgetuigd. De mishandelingen gebeurden steeds bij verdachte thuis, achter het schuurtje. Ook werd [naam 2] in de keuken van de woning van verdachte mishandeld. Daar werd hij enkele keren geslagen, verdachte sloeg met de vlakke hand. [naam 2] werd daarbij telkens in het gezicht geslagen.
[naam 2] is er altijd naar toegegaan omdat hij niet wilde dat verdachte in de buurt van zijn gezin kwam. Hij heeft aangegeven dat hij zich steeds vermand heeft, alle moed bij elkaar geraapt en daarbij gedacht dat ooit alles betaald zou zijn en hij er vanaf zou zijn.
Woordelijk heeft verdachte meerdere malen gezegd te zweren op zijn vrouw en kinderen dat [naam 2] geen leven meer zou hebben. Ook het kapot maken van het gezin van [naam 2] is meerdere malen gezegd. Verdachte zei hem dat hij niet besefte hoeveel macht hij wel had. Verdachte zei hem ook dat als hij door [naam 2] vast kwam te zitten “ze” hem elke maand een flink pak slaag zouden geven en dat ze elke maand € 10.000,= bij hem zouden komen ophalen.
Bij zijn verhoor tegenover de rechter-commissaris heeft [naam 2] verklaard dat hij vaak een pak slaag heeft gehad van verdachte. De ene keer was dat harder dan de andere keer. Tijdens een van de mishandelingen heeft verdachte een tang op het oor van [naam 2] gezet. [naam 2] smeekte om het niet te doen toen verdachte dreigde met die tang dat oor eraf te knippen. Hij zat daarbij bovenop [naam 2].
Verklaard is door [naam 2] dat hij een zestal keren door verdachte is mishandeld. Daarbij is aangegeven dat hij het dan heeft over de voorvallen waar hij echt last van heeft gehad. [naam 2] kwam ongeveer om de twee weken bij verdachte. Soms waren de vorige kwetsuren zelfs nog niet genezen. Verdachte sloeg hem met de vuist, platte hand en met een stok. Eén keer heeft hij zelfs zo hard getrapt dat hij geen adem meer kreeg en zich amper kon bewegen.
Het was verdachte die bepaalde hoe schulden werden vereffend. Hij zei bijvoorbeeld dat [naam 2] een week later een bedrag van € 10.000,= moest komen betalen. Indien dat niet gebeurde werd het bedrag verhoogd met een boete. Alles wat [naam 2] had, horloges, auto’s etc., zo verklaart hij, heeft hij verzilverd om verdachte te kunnen betalen. Ook werd [naam 2] door verdachte opgesloten in een schuurtje. Nadat er een bedrag was betaald, werd [naam 2] door verdachte vrijgelaten.
Augustus 2013: [naam 7]
Omdat [naam 2] verdachte niet kon terugbetalen werd door verdachte voorgesteld dat de problemen zouden worden opgelost doordat verdachte zich zou inkopen in het bedrijf van [naam 2] en hem zou voorzien van werk. Hiertoe werd op 28 augustus 2013 een “verkoopovereenkomst aandelen” gesloten tussen [naam 2] en verdachte. Daarbij werd door [naam 7] 50% van de aandelen verkocht aan verdachte voor een overnameprijs van € 10.000,= en werd daarna maandelijks een bedrag als salaris door de onderneming aan verdachte betaald. Verdachte heeft hierover verklaard dat hij de inleg later terugbetaald heeft gekregen van [naam 2] en dat hij inderdaad salarisbetalingen kreeg, ook nadat [naam 7] al failliet verklaard was.
De boekhouder van [naam 2] , [naam 11] , heeft hierover het volgende verklaard. Door [naam 11] is de boekhouding gedaan voor het bedrijf van [naam 2] , [naam 7] . [naam 2] had financiële problemen. Daarvoor is hij in augustus 2013 bij [naam 11] gekomen. [naam 2] was in elkaar geslagen omdat hij een lening niet kon terugbetalen. Zijn gezicht was bont en blauw, hij had dichtgeslagen ogen en verwondingen in zijn gezicht. [naam 2] wilde een overeenkomst hebben, een loonbrief, waarin verdachte een loon kreeg uit [naam 7] van € 3.000,= per maand netto vanaf september 2013. Die overeenkomst is door [naam 11] opgemaakt en op 28 augustus 2013 op zijn kantoor ondertekend door [naam 2] en verdachte.
Met betrekking tot [naam 11] heeft de verdediging bij pleidooi gesteld dat zij in een eerder stadium verzocht heeft om hem te horen als getuige in verband met de door hem afgelegde verklaring en het feit dat hij de enige persoon is die verklaard heeft dat hij in de desbetreffende periode iets van [naam 2] heeft gehoord over afpersing, maar dat dit verzoek is afgewezen. Bij pleidooi is verzocht om, nu [naam 11] als enige kan verklaren over de desbetreffende periode, hem te horen indien de rechtbank de verklaring mee wil nemen voor het bewijs.
Hieromtrent overweegt de rechtbank dat de verdediging tijdens de procedure ruimschoots in de gelegenheid is geweest om onderzoekswensen kenbaar te maken en dat ter zitting van 16 december 2016 weliswaar is gevraagd om [naam 11] als getuige te horen, maar over een ander onderwerp, welk verzoek destijds is afgewezen. De verdediging heeft nimmer gevraagd om [naam 11] te horen over hetgeen hiervoor met betrekking tot de aandelenoverdracht en de loonbetalingen is opgenomen. De rechtbank ziet dan ook geen belemmering om de verklaring van [naam 11] , zoals hiervoor aangehaald, voor het bewijs te gebruiken. Daarbij acht de rechtbank ook van belang dat deze getuigenverklaring, zoals blijkt uit de overige bewijsmiddelen, niet “sole or decisive” is.
[naam 2] heeft verklaard dat hij maandelijks € 3.000,= betaalde aan verdachte als salaris. Tot eind 2014 heeft verdachte bij hem op de loonlijst gestaan. Diverse maandelijkse loonbetalingen, telkens een bedrag van € 3.000,=, hebben plaatsgevonden van september 2013 tot december 2014. Tegenover die loonbetalingen stonden geen reële werkzaamheden. Verdachte bracht wel klanten aan voor [naam 7] , maar hij heeft niet voor dat bedrag maandelijks gewerkt. Aan de klanten die door verdachte werden aangebracht, heeft [naam 2] niets overgehouden.
De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van [naam 2] ten aanzien van de loonbetaling en aandelenoverdracht betrouwbaar zijn, nu deze steun vinden in de verklaring van getuige [naam 11] in de verklaring van verdachte zelf en de overige bevindingen.
Dat de maandelijkse betaling van € 3.000,= aan verdachte nog enkele maanden is doorgegaan toen [naam 7] al failliet was, sterkt de rechtbank in de overtuiging dat dit geen salaris betrof voor door verdachte verrichte werkzaamheden in het bedrijf.
September 2013: Mercedes vader
[naam 2] heeft hierover het volgende verklaard. In september 2013 was hij met een Saab bij verdachte in Bergen op Zoom. Verdachte wilde die auto als betaling. [naam 2] gaf aan dat dat niet mogelijk was omdat die betreffende auto van een klant was. Verdachte gaf toen aan dat hij de auto van de vader van [naam 2] wilde hebben, als oplossing, naast de deelname in [naam 7] , voor het aflossen van de schuld. [naam 2] is met verdachte in de Saab moeten stappen, waarbij verdachte achter het stuur zat. Onderweg kreeg [naam 2] enkele klappen tegen zijn hoofd. Verdachte zei tegen hem dat hij de auto van zijn vader moest halen. [naam 2] heeft verdachte thuis afgezet. Diezelfde dag om 17.30 uur moest [naam 2] met de auto van zijn vader bij verdachte thuis zijn. [naam 2] is vervolgens naar zijn vader in Cadzand gereden. Tegen zijn vader vertelde [naam 2] dat hij een koper voor de auto had zodat hij diens auto meekreeg. Met de auto van zijn vader is [naam 2] naar verdachte gereden en heeft die auto afgegeven aan verdachte. Enkele weken later zag [naam 2] de auto bij [naam 12] staan. Nadat [naam 2] hem verteld had wat er was gebeurd, heeft [naam 12] hem de auto verkocht voor € 13.500,=.
Deze verklaring van [naam 2] vindt steun in de verklaring van [naam 12] dat hij een Mercedes heeft gekocht van verdachte en dat dit de auto betreft van de vader van de hem bekende [naam 2] [naam 12] had de auto inmiddels doorverkocht, maar op verzoek van [naam 2] weer teruggehaald en weer aan hem verkocht.
De verklaring van [naam 2] vindt verder steun in de verklaring van zijn vader. De vader van [naam 2] heeft namelijk verklaard dat hij zijn zoon [naam 2] wel eens heeft laten weten dat zijn Mercedes, voorzien van het kenteken [kenteken 1] , weg mocht als daar een koper voor was. [naam 2] is toen korte tijd later naar zijn vader in Cadzand gereden, hij wilde de Mercedes meteen meenemen. Zijn Saab liet [naam 2] in Cadzand achter. Van [naam 2] ontving hij € 4.500,= contant. De auto, inclusief de papieren heeft hij aan [naam 2] meegegeven. De vader van [naam 2] vond het vreemd dat er zo’n haast bij was. Omdat de rest van de betaling uitbleef is hij gaan aandringen op verdere betaling. Toen betaling niet volgde heeft hij aangegeven dat hij zijn auto terug wilde hebben. Op een gegeven moment heeft [naam 2] de auto teruggebracht, waarna zijn vader weer € 4.500,= heeft teruggegeven aan [naam 2]
Daarnaast vindt de verklaring van [naam 2] steun in bevindingen van de politie met betrekking tot deze Mercedes. In de administratie van het bedrijf van verdachte, [naam 14] is een inkoopverklaring opgenomen, gedateerd 28 september 2013, ter zake de Mercedes [kenteken 1] , gekocht van [naam 13] voor een bedrag van € 11.500,=. Op 1 oktober 2013 is genoemd voertuig weer doorverkocht aan [naam 15] voor een bedrag van € 13.500,=.
De verdediging heeft aangevoerd dat de verklaring van [naam 2] onlogisch en ongeloofwaardig is gelet op de door [naam 2] genoemde bedragen. De verdediging is daarbij echter uitgegaan van onjuiste bedragen en hetgeen is aangevoerd berust dan ook op een onjuiste lezing van het dossier. [naam 2] heeft de auto van [naam 12] niet gekocht voor € 11.000,= maar voor € 13.500,=.
Aan de voorgaande bewijsmiddelen ontleent de rechtbank de overtuiging dat [naam 2] deze auto onder dwang van verdachte aan hem heeft afgestaan. De gang van zaken past niet bij een reguliere zakelijke transactie. Daarbij wijst de rechtbank in het bijzonder op de grote haast die [naam 2] had om de auto op grote afstand bij zijn vader op te halen en het feit dat [naam 2] , zelfs indien het verhaal van verdachte dat hij wel betaald heeft zou kloppen, verlies heeft geleden op de transacties.
December 2013: geslagen met stok
Januari 2014: gebroken neus in badkamer
[naam 2] heeft verklaard dat hij mee moest naar een hok achter de woning van verdachte. Daar kreeg hij meerdere slagen in het gezicht en slagen met een stok op zijn benen. Dit incident vond plaats in december 2013.
Foto’s van zijn verwondingen zijn aangetroffen in de gsm van [naam 2] . Op afbeeldingen is te zien dat sprake is van een blauw oog, blauwe plekken en een blauwe plek op het linker dijbeen. De foto’s zijn genomen op 22 december 2013.
Ook heeft [naam 2] verklaard dat hij omstreeks de verjaardag van zijn zoon, 13 januari 2014, bij verdachte moest komen om geld te betalen. Hij werd toen behoorlijk in elkaar geslagen in de badkamer van de woning van verdachte. Hij kreeg een klap en hij moest mee naar de badkamer. In de badkamer werd hij gedwongen op zijn knieën te gaan zitten. [naam 2] moest verdachte steeds aankijken en hij kreeg dan telkens een slag in zijn gezicht. Hierbij werd zijn neus gebroken door de verschillende slagen. Verdachte trok zijn neus weer recht en hij mocht er niet aankomen. Dit alles duurde 1 tot 1,5 uur. Hierbij schold verdachte [naam 2] uit en hij schreeuwde enorm hard. [naam 2] mocht niet weg zolang er geen geld was. Het ging er zeer heftig aan toe. Alles lag vol bloed.
De verklaring van [naam 2] over deze geweldshandelingen door verdachte vindt steun in diverse verklaringen van getuigen.
Zijn zus heeft verklaard gezien te hebben dat haar broer [naam 2] rond de verjaardag van haar dochter op 22 december 2013 een blauw oog had.
De vader van [naam 2] heeft aangegeven dat hij zeker 2 keer heeft gezien dat zijn zoon letsel in het gezicht had, hij had dan blauwe ogen.
Getuige [naam 16] heeft op 11 mei 2015 verklaard dat hij afgelopen winter heeft gezien dat [naam 2] letsel had. Iedereen heeft wel eens gezien dat hij een blauw oog had. In de winter met een zonnebril op en een dikke wang.
De echtgenote van [naam 2] heeft verklaard dat zij haar man enkele keren heeft zien thuiskomen en dan zag dat hij klappen had gekregen. De eerste keer was zijn gezicht half opgezwollen. Eén kant van zijn gezicht was gewoon dik geslagen. Later was er dan weer iets aan zijn been. Zijn hele been was bont en blauw. Hij heeft toen verteld dat hij “een beetje last” had van iemand. Ook heeft hij haar verteld dat hij de politie niet kon bellen omdat het zulk tuig was. Zijn neus was toen gebroken. [naam 2] had zich bij die kerel moeten melden, hij werd geslagen en zijn neus werd daarbij gebroken. Hij vertelde haar dat hij geld moest gaan brengen.
Getuige [naam 17] heeft verklaard dat [naam 2] een keer bij hem op het bedrijf was gekomen en bont en blauw zag. Hij had [naam 2] een geldbedrag geleend zodat [naam 2] “rust had”.
Januari 2014: oldtimer
[naam 2] heeft verklaard dat hij voor verdachte een oldtimer (Cadillac) heeft moeten repareren. Het voertuig moest binnen 2 weken in orde gemaakt worden, maar omdat er zoveel moest gebeuren, lukte dat niet. Als hij het voertuig niet gerepareerd kreeg binnen die termijn, dan werd het een probleem van [naam 2] , zo zei verdachte. Dan werd het zijn voertuig en dan moest hij er voor opdraaien. Hij heeft het voertuig moeten overnemen voor € 40.000,=. De reparatiekosten moest hij ook voor zijn rekening nemen.
Door [naam 2] is aangegeven dat ook [naam 3] betrokken is geweest bij het verhaal van de Cadillac. [naam 3] was aanwezig bij de aflevering. Toen de Cadillac gebracht werd moest deze van de aanhanger afgereden worden. Dit werd volgens [naam 2] door verdachte gedaan, waarbij de auto schade opliep. [naam 2] kreeg hiervan de schuld. Verdachte heeft [naam 2] vervolgens enkele keren geslagen met een autokrik.
Verdachte heeft ter zitting verklaard dat er inderdaad “gedoe” was over deze Cadillac maar dat hij [naam 2] tot niets heeft gedwongen en hem zeker niet heeft geslagen met een krik.
[naam 3] heeft aangegeven dat hij zich het voorval met de Cadillac kan herinneren. [naam 2] en verdachte kwamen met de Cadillac aan bij zijn bedrijf. Het voertuig stond op een trailer en werd door verdachte van de trailer gereden waarbij de zijkant van de auto de wielkast van de trailer raakte. Verdachte begon daarop te schelden en te tieren tegen [naam 2] , waarna [naam 2] door verdachte twee keer omver werd geschopt. Ook [naam 2] heeft hierover verklaard dat hij klappen kreeg.
De rechtbank stelt vast dat steunbewijs voor de verklaring van [naam 2] dat verdachte hem met een autokrik heeft geslagen niet aanwezig is. Dat onderdeel van de tenlastelegging kan dan ook niet bewezen worden.
De rechtbank is voorts van oordeel dat, voor zover het de afpersing van een geldbedrag in relatie tot de verkoop en/of overname van deze Cadillac betreft, de verklaring van [naam 2] ook verder onvoldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen. Diverse personen zijn hierover nog gehoord, maar de rechtbank heeft op basis van hetgeen is voorgelegd onvoldoende concreet de feiten kunnen vaststellen. Voor de rechtbank is daarom niet wettig en overtuigend komen vast te staan dat [naam 2] onder dwang de oldtimer heeft moeten overnemen van verdachte.
Februari/maart 2014: autodeal in Denemarken
In februari 2014 vroeg verdachte aan [naam 2] om voor hem een Mercedes in te voeren vanuit Denemarken. De auto zou eigendom zijn van een bedrijf dat zowel in Duitsland als in Denemarken actief was. Verdachte had hem gezegd dat hij het geld voor die auto, € 62.000,=, moest overmaken op rekening van dat bedrijf met de bedoeling de auto in kwestie te kopen. Het geld werd door verdachte contant aan [naam 2] gegeven. Nadat [naam 2] het geld had overgemaakt, bleek dat het bedrijf in Duitsland niet meer te traceren was. Bij het ophalen van het voertuig bleek het betreffende bedrijf in Denemarken niet te bestaan. [naam 2] werd hiervoor door verdachte verantwoordelijk gesteld. [naam 2] moest het oplossen in die zin dat hij aan verdachte het geld moest terug betalen. In de periode die daarop volgde heeft [naam 2] aan verdachte een bedrag van € 47.000,= contant terugbetaald. Financieel kon [naam 2] het niet langer aan om ook nog het resterende bedrag van € 15.000,= aan verdachte te betalen, maar hij moest dat wel van verdachte.
Op 25 maart 2014 is een bedrag van € 62.500,= overgemaakt van de rekening van [naam 7] naar een rekening van [naam 19]. De verklaring van [naam 2] vindt daarnaast steun in de correspondentie tussen [naam 7] en [naam 2] enerzijds en [naam 20] , de “verkopende” partij anderzijds. In die correspondentie wordt gesproken over de verkoop van de Mercedes.
Teneinde de auto te transporteren vanuit Denemarken naar Nederland heeft [naam 2] via [naam 16] opdracht gegeven aan [naam 21]. In een door [naam 2] gedane melding bij de politie in Tilburg is aangegeven dat [naam 21] op de afgesproken plaats geen Mercedes aantrof. Wel kreeg hij te horen dat daags tevoren ook al iemand aldaar was verschenen die opgelicht bleek te zijn. De verklaring van [naam 2] vindt verder steun in de verklaring van getuige [naam 16]. Deze heeft verklaard dat hij met spoed een auto moest ophalen in Denemarken, maar dat vond hij te ver. Door hem is toen een vriend ingeschakeld, genaamd [naam 21] [naam 16] vond het raar dat de auto al was betaald, zonder onderzoek vooraf. Dat was niks voor [naam 2] , die anders eerst even iemand daarnaartoe zou sturen om te kijken of alles klopt en dan zou hij misschien pas geld overmaken. Er zat nogal wat druk achter, de auto moest met spoed worden gehaald en meteen terug gebracht en [naam 2] wilde ook goed betalen.
Verdachte heeft hierover verklaard dat hij op internet heeft gezien dat de auto zowel in Denemarken als in Duitsland werd aangeboden. Hierover heeft hij gesproken met [naam 2].
De rechtbank hecht geen geloof aan de verklaring van verdachte dat [naam 2] uit eigen beweging de auto vooraf heeft betaald en dat verdachte hem nog had gewaarschuwd. De gang van zaken, waarbij zonder onderzoek een groot bedrag werd betaald aan een bedrijf in het buitenland voor een auto die [naam 2] niet eens had gezien, en die op stel en sprong moest worden opgehaald, past niet in een normale, zakelijke bedrijfsvoering, maar wel bij het onder grote druk of dwang handelen.
Wettig en overtuigend bewijs
De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van [naam 2] voldoende steun vinden in de verklaringen van de getuigen en de overige hiervoor aangehaalde bevindingen zodat, met uitzondering van enkele onderdelen, wettig en overtuigend bewezen verklaard kan worden dat verdachte [naam 2] heeft afgeperst en mishandeld.
[naam 2] heeft zowel bij de politie in België als in Nederland en ook tegenover de rechter-commissaris zeer uitgebreide verklaringen afgelegd over de afpersing en mishandeling door verdachte gedurende een langere periode. Op grond van de hiervoor vermelde bewijsmiddelen staat voor de rechtbank vast dat het verdachte was die [naam 2] opdrachten gaf om bepaalde activiteiten te verrichten die vervolgens niet (geheel) of niet binnen de door verdachte gestelde termijn konden worden uitgevoerd door [naam 2] . Hierdoor ontstonden grote “schulden” die vervolgens door [naam 2] dienden te worden afgelost. Hoe die schulden afgelost moesten worden werd bepaald door verdachte. Uit de hiervoor aangehaalde verklaringen blijkt zonder meer van intimidaties en bedreigingen door verdachte.
De angst waaronder [naam 2] heeft geleefd druipt van de door hem afgelegde verklaringen af. Die angst voor verdachte komt ook duidelijk naar voren bij het schietincident op 20 maart 2015. Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de verklaringen van [naam 2] wel degelijk authentiek zijn. Zijn verklaringen vinden steun in de hiervoor aangehaalde verklaringen van getuigen en andere bewijsmiddelen. Dat [naam 2] in 2014 actief door de Nederlandse politie is benaderd en hij aanvankelijk niet wilde verklaren, omdat zijn strafzaak in België nog liep, maakt dit niet anders. Aan de brieven van [naam 2] d.d. 9 juli 2015 en 31 juli 2015 hecht de rechtbank geen waarde. Blijkens de processen-verbaal van verhoor van [naam 2] was hij zeer angstig voor represailles van verdachte en was dat de reden dat hij eerder niet (belastend) wilde verklaren over verdachte en ook nooit aangifte heeft willen doen. [naam 2] heeft tegenover de rechter-commissaris op 19 februari 2018 (in het kader van onderzoek Tenerife) uitdrukkelijk verklaard dat de inhoud van deze brieven niet op waarheid berust en dat hij de brieven heeft geschreven op verzoek van anderen, volgens hem “uit de entourage van verdachte”. Hij heeft aan dat verzoek voldaan in het belang van de veiligheid van zijn gezin en omdat hem een financiële vergoeding was beloofd.
De rechtbank kan niet anders dan concluderen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan afpersing en mishandeling van [naam 2] .
Niet bewezen
Zoals hiervoor is overwogen, is er onvoldoende bewijs dat verdachte [naam 2] met een autokrik heeft geslagen en voor de afpersing in relatie tot de verkoop en/of overname van de Cadillac. Van deze onderdelen zal verdachte worden vrijgesproken.
De rechtbank is verder van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte een of meer andere grote geldbedragen heeft afgeperst. Voor zover de officieren van justitie hiermee bedoeld hebben een bedrag van € 15.000,= in verband met de aankoop van de Mercedes in Denemarken, overweegt de rechtbank dat [naam 2] heeft verklaard dat hij wel bereid was de laatste € 15.000,= te betalen, maar dat hij dat bedrag niet kon betalen. De rechtbank is uit het dossier niet gebleken dat [naam 2] dit bedrag uiteindelijk toch betaald heeft. Hooguit kan dit een poging tot afpersing van € 15.000,= opleveren, echter een poging is verdachte niet tenlastegelegd.
Ten slotte is weliswaar bewijs voorhanden dat verdachte op 20 maart 2015 [naam 2] in zijn woning heeft opgezocht en op de rolluiken heeft staan bonken en [naam 2] heeft gesommeerd de deur open te doen, echter deze bedreigingen hebben zich voorgedaan nadat [naam 2] geld en voorwerpen had afgestaan, zodat deze handelingen geen onderdeel meer kunnen uitmaken van de tenlastegelegde afpersing. Ook in zoverre zal verdachte worden vrijgesproken.

4.3 ONDERZOEK JONKOPING

4.3.1 Het standpunt van de officieren van justitie
De officieren van justitie achten wettig en overtuigend bewezen dat verdachte hetgeen hem onder feit 6, 7 en 8 is tenlastegelegd (afpersing, zware mishandeling en bedreiging van [naam 3] ) heeft gepleegd en baseren zich daarbij onder meer op de aangifte en verklaringen van [naam 3] , op tapgesprekken, op opnames van gesprekken, afkomstig van de gsm van [naam 3] op medische informatie over [naam 3] , op verklaringen van diverse getuigen en op verklaringen van beide verdachten.
De officieren van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat de verklaringen van [naam 3] betrouwbaar en geloofwaardig zijn.
De officieren van justitie zijn van mening dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachten [Verdachte] en [medeverdachte] . In de zienswijze van de officieren van justitie is het verdachte [medeverdachte] geweest die [naam 3] naar zijn woning heeft gelokt, waarna deze zwaar mishandeld werd door verdachte [Verdachte] . Het is verdachte [medeverdachte] geweest die, nadat [naam 3] in het ziekenhuis lag, contact met hem heeft gehad over het klaarleggen van de boot. Ook is verdachte [medeverdachte] meerdere malen op het bedrijf van [naam 3] geweest waarbij bedreigingen zijn geuit.

4.3.2 Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen.
Concluderend is aangevoerd dat uit de bewijsmiddelen in het dossier blijkt dat verdachte een betrouwbare verklaring heeft afgelegd over de gang van zaken tussen hem en [naam 3] . Niet blijkt dat verdachte op enig moment [naam 3] heeft gedwongen om goederen aan hem af te staan. Dat [naam 3] en verdachte op enig moment hebben afgesproken om goederen over te dragen als betaling, houdt niet in dat dit onder dwang is gebeurd. Nu er geen sprake is van het onder dwang afgeven van geld of goederen, wordt verzocht verdachte vrij te spreken van afpersing.
Verder blijkt uit geen enkel stuk in het dossier dat er mishandeling zou hebben plaatsgevonden. De verklaring van [naam 3] is op meerdere punten zeer onbetrouwbaar en wordt door verschillende getuigen weerlegd. Nu er geen bewijs aanwezig is dat verdachte [naam 3] zou hebben mishandeld of zou hebben laten mishandelen, buiten de onbetrouwbare verklaring van [naam 3] , wordt verzocht verdachte vrij te spreken van de tenlastegelegde zware mishandeling.
Het is goed mogelijk dat verdachte op een dwingende of agressieve toon tegen [naam 3] heeft gesproken, maar van enige bedreiging kan niet zonder meer worden uitgegaan. Uit het dossier blijkt dat [naam 3] meerdere leugenachtige verklaringen heeft afgelegd. Uit het dossier blijkt juist dat [naam 3] niet bang was voor verdachte zodat niet gesproken kan worden van bedreiging.

4.3.3 Het oordeel van de rechtbank
Naar aanleiding van een schietincident in België op 20 maart 2015 waarbij [naam 2] op verdachte [Verdachte] heeft geschoten, zijn door [naam 2] diverse verklaringen afgelegd. In een van die verklaringen heeft [naam 2] aangegeven dat ook [naam 3] slachtoffer is van afpersingen en geweld, gepleegd door verdachte [Verdachte] . Naar aanleiding daarvan heeft de politie contact gezocht met [naam 3] Aanvankelijk wilde [naam 3] niets verklaren, maar uiteindelijk heeft hij toch diverse malen uitgebreid verklaard bij de politie. Zoals hiervoor al aangegeven, heeft de verdediging gesteld dat de verklaringen van [naam 3] onbetrouwbaar zijn. De rechtbank is van oordeel dat het dossier geen aanknopingspunten biedt voor de veronderstelling van de verdediging dat [naam 3] ten eigen gunste verdachte en de medeverdachte heeft willen belasten. De rechtbank acht dat temeer onaannemelijk nu voldoende steunbewijs voor zijn verklaringen in het dossier voorhanden is.
Verdachte [Verdachte] en [naam 3] hebben ieder een eigen lezing over het ontstaan van het conflict tussen hen. Verdachte [Verdachte] heeft aangegeven dat hij [naam 3] € 100.000,= heeft geleend en dat hij er vervolgens achter kwam dat [naam 3] [naam 1] heeft geholpen weg te vluchten. Ook zou hij gehoord hebben dat [naam 3] onderdelen voor auto’s bestelde zonder ze op de auto’s te plaatsen. Wegens gebrek aan vertrouwen wilde verdachte [Verdachte] zijn geld op korte termijn terug.
[naam 3] heeft aangegeven dat het conflict is ontstaan in september 2014 toen een van zijn monteurs een fout had gemaakt bij de reparatie van een oldtimer. [naam 3] zou toen ook door verdachte [Verdachte] zijn verweten dat hij [naam 1] had geholpen te vluchten naar het buitenland.
De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.
Dat er een conflict bestaat tussen verdachte [Verdachte] en [naam 3] is wel duidelijk. Voor zover de reden van het ontstaan van dit conflict al van belang is voor de bewijsvraag, wijst de rechtbank erop dat het dossier geen aanknopingspunten biedt voor de lezing van verdachte [Verdachte] dat hij [naam 3] een bedrag van € 100.000,= heeft geleend. Terecht hebben de officieren van justitie ter zitting gewezen op de verklaring van verdachte van 4 augustus 2016 waar hij aangeeft dat hij niet verklaard heeft dat hij een lening van € 100.000,= verstrekt heeft aan [naam 3] . Uit de administratie van verdachte [Verdachte] blijkt ook niets van een dergelijke lening. Dat het conflict is ontstaan, omdat verdachte [Verdachte] [naam 3] verweet dat hij [naam 1] , van wie hij nog geld tegoed had, heeft geholpen met vluchten naar het buitenland vindt steun in een door [naam 3] opgenomen gesprek tussen hem en verdachte [Verdachte] op 13 februari 2015. In dat gesprek wordt [naam 3] door verdachte [Verdachte] verweten dat hij behulpzaam is geweest bij het vluchten van [naam 1] vanuit Dinteloord. De rechtbank gaat daarom met betrekking tot het ontstaan van het conflict uit van de lezing van [naam 3] .
Op 12 juli 2016 heeft op het politiebureau in Breda een gesprek plaatsgevonden met [naam 3] . Tijdens dit gesprek heeft [naam 3] aangegeven dat hij bang is om aangifte te doen uit angst dat zijn gezin iets aangedaan wordt als blijkt dat hij een verklaring heeft afgelegd tegen verdachte [Verdachte]. Verdachte [Verdachte] zou tot alles in staat zijn. Voor [naam 3] is dit reden geweest om gesprekken, die hij met de verdachte en de medeverdachte heeft gehad, op te nemen.
Via [naam 1] is [naam 3] in contact is gekomen met verdachte [Verdachte] . Voor hem repareerde hij auto’s. Langzaamaan werd [Verdachte] steeds dwingender in het contact en in zijn opdrachten. In september 2014 kreeg [naam 3] voor het eerst problemen met verdachte [Verdachte] toen een monteur een fout had gemaakt bij het repareren van een oldtimer. Net op het moment dat de fout nog niet hersteld was kwam verdachte [Verdachte] kijken naar de auto. Hij zag welke fout er was gemaakt waarna verdachte [Verdachte] erg kwaad werd en begon te schreeuwen. Enkele dagen na dit incident werd [naam 3] gebeld door verdachte [medeverdachte] met de vraag om naar een auto te komen kijken die bij de woning van [medeverdachte] stond. Omdat verdachte [medeverdachte] aandrong is hij naar diens woning (gelegen aan de [adres] in Bergen op Zoom) gegaan. Hij moest van verdachte [medeverdachte] gaan zitten waarna ook verdachte [Verdachte] binnenkwam en op hem in begon te slaan met een stok. Verdachte [Verdachte] begon tegen hem te schreeuwen dat hij moest betalen. Doordat [naam 3] de stok afweerde, brak deze. Verdachte [Verdachte] is vervolgens met de punt van de kapotte stok gaan steken. Op enig moment moest [naam 3] op handen en knieën gaan zitten waarbij hij door verdachte [Verdachte] werd geschopt, onder meer tegen het hoofd waardoor hij buiten bewustzijn is geraakt. Hij zag nog dat verdachte [Verdachte] een groot mes uit de keuken pakte. Verdachte [medeverdachte] was er continue bij aanwezig. Toen [naam 3] weer bijkwam hoorde hij dat zowel verdachte [Verdachte] als verdachte [medeverdachte] aan het schreeuwen was. Ook verdachte [medeverdachte] sloeg [naam 3] een paar keer in het gezicht toen hij op de grond lag.
Verdachte [Verdachte] heeft vervolgens een snijplank gepakt en daarop de hand van [naam 3] gelegd. Met het mes in zijn hand zei verdachte [Verdachte] dat hij zijn ( [naam 3] ) vinger eraf ging snijden. Hierbij werd het mes dreigend boven de hand van [naam 3] gehouden.
Daarna moest [naam 3] op de bank gaan zitten terwijl verdachte [Verdachte] continue met de botte kant van het mes tegen zijn gezicht aansloeg en hem daarbij zei dat hij moest gaan betalen. Verdachte [Verdachte] zei hem ervoor verantwoordelijk te houden dat hij [naam 1] had geholpen met vluchten. [naam 1] zou iets van verdachte [Verdachte] hebben gestolen en omdat hij [naam 1] had geholpen, moest [naam 3] hem terugbetalen.
Verdachte [Verdachte] haalde vervolgens een geschreven briefje uit zijn broekzak. [naam 3] moest de tekst van dat briefje overschrijven. Op het briefje stonden opdrachten over een Mercedes SL die opgeknapt en geld dat betaald moest worden. Hij mocht de woning pas verlaten als hij het briefje had overgeschreven. Hij kreeg de opdracht (het briefje) mee en hij moest direct een gedeelte betalen. [naam 3] is kort daarna naar de bank gegaan om geld over te schrijven en te pinnen.
Het ging om een bedrag van € 9.500,=; ongeveer 10 minuten nadat hij het geld had gepind, kwam verdachte [medeverdachte] het geld bij hem ophalen. Kort daarna is [naam 3] naar het huis van een vriend, [naam 22] , gegaan. Zijn hele gezicht was opgezwollen en blauw.
De maandag erop is hij naar het ziekenhuis gegaan, omdat hij zich helemaal niet goed voelde.
In het ziekenhuis werd hem verteld dat hij een gebroken jukbeen had dat was losgekomen van zijn schedel. Zijn jukbeen was hierdoor naar beneden gezakt. Een operatie volgde. Door het incident is hij 2 of 3 maanden niet of nauwelijks op zijn bedrijf geweest. Hij is in die periode alleen maar bezig geweest met het regelen van geld en spullen om verdachte [Verdachte] te kunnen betalen.
Door [naam 3] is verder tijdens het gesprek met de politie gezegd dat verdachte [Verdachte] hem ook een keer foto’s van zijn ( [naam 3] kinderen heeft laten zien en heeft gezegd dat hij het moest regelen. Gevraagd werd of hij anders wilde dat verdachte [Verdachte] de oren van zijn kinderen zou afsnijden. Ook heeft verdachte [Verdachte] gezegd dat hij een paar jongens van zijn club in het bedrijf (van [naam 3] ) zou zetten ter controle.
[naam 3] heeft verder verklaard dat hij voor verdachte [Verdachte] een Mercedes SL heeft gerestaureerd. De kosten hiervan bedroegen € 80.000,= à € 90.000,=. Ook de boot met registratienummer [registratienummer] , zijn Audi met kenteken [kenteken 2] en een Opel Vivaro bus werden door verdachte [Verdachte] van hem afgepakt.
Door verbalisanten zijn aan [naam 3] foto’s getoond die op een onder hem inbeslaggenomen USB-stick zijn aangetroffen. Op deze foto’s staat [naam 3] waarbij hij duidelijke verwondingen aan zijn gezicht heeft. Over deze foto’s heeft hij verklaard dat verwondingen te zien zijn die het gevolg zijn geweest van de zware mishandeling in de woning van verdachte [medeverdachte] door de verdachten [Verdachte] en [medeverdachte] De foto met de zichtbare zuurstofslang en waarop [naam 3] een tape op zijn hoofd heeft met de tekst: “niet op linkerzijde liggen” is in het ziekenhuis gemaakt door [naam 22]. Op de andere foto is een blauw oog te zien.
Daarnaast zijn aan [naam 3] foto’s getoond van een Audi die voor het bedrijf [naam 23] stond met kenteken [kenteken 2] en een speedboot met registratienummer [registratienummer] , model Wake Setter. Over deze Audi en boot heeft [naam 3] aangegeven dat hij deze heeft moeten inleveren bij verdachte [Verdachte] als betaling.
Bij zijn aangifte heeft [naam 3] hetgeen hij op 12 juli 2016 bij de politie heeft verklaard, bevestigd. Meer in detail heeft hij nog aangegeven dat ook verdachte [medeverdachte] aan het schreeuwen was dat hij, [naam 3] , niet naar de politie moest gaan want anders zou hij met hem, verdachte [medeverdachte] , te maken krijgen. Zij kregen altijd hun geld. Verdachte [medeverdachte] zei tegen [naam 3] dat, als verdachte [Verdachte] vast zou komen te zitten, hij dan met hem te maken zou krijgen.
Op het briefje dat hij moest overschrijven stond onder meer dat hij een bedrag van 100.000 euro moest betalen. Na het pinnen van het bedrag van € 9.500,= is [naam 3] naar zijn zaak gereden, waarna kort daarna verdachte [medeverdachte] kwam aanrijden en het geld heeft aangepakt. Daarbij werd gezegd dat hij gewoon moest betalen anders zou er nog meer ellende komen. Diezelfde avond zijn verdachten [medeverdachte] en [Verdachte] nog op de zaak geweest om de sleutel van de Audi te pakken. De Audi werd dezelfde avond nog meegenomen door verdachte [medeverdachte] Enkele dagen na zijn ziekenhuisopname kwam verdachte [medeverdachte] bij [naam 3] met een vrijwaring van de Audi en de boot met trailer. De Audi zou € 35.000,= opgeleverd hebben en de boot zou € 45.000,= opgeleverd hebben. Omdat [naam 3] al € 9.500,= had betaald, zou er nog een bedrag van € 10.500,= openstaan. Dit bedrag werd uiteindelijk betaald met een Opel Vivaro bus, die opgehaald werd door beide verdachten. De werkzaamheden aan de Mercedes die op het briefje stonden, hebben [naam 3] ongeveer € 80.000,= gekost.
[naam 3] heeft nadien aan de politie het bewuste briefje overhandigd. Op het briefje staan diverse auto-onderdelen en werkzaamheden (onder andere: “motor kap” “complete uitlaat” “alle chroom nieuw”), “NL kenteken” en het getal 100.000. Tegenover de rechter-commissaris heeft [naam 3] verklaard dat [Verdachte] geen cent heeft betaald voor de restauratie van de (Mercedes) SL. Hij moest de auto compleet restaureren en daarvoor zou hij niets krijgen. Dat werd gezegd tijdens de mishandeling. Van [naam 3] heeft de politie ook een map met bescheiden ontvangen waarin alle facturen met betrekking tot de Mercedes SL zijn opgenomen.
Met betrekking tot de te repareren Mercedes SL heeft verdachte [Verdachte] ter zitting verklaard dat het allemaal veel duurder is geworden en dat [naam 3] dat uit eigen zak heeft betaald.
Tijdens een telefoongesprek tussen [naam 3] en [naam 1] op 6 juli 2016 is hetgeen [naam 3] bij de politie heeft verklaard nog eens bevestigd. In dat gesprek vertelt [naam 3] wat hem is overkomen en dat hij is geslagen met een stok omdat hij [naam 1] heeft geholpen met vluchten. Gezegd wordt: “(…) en jij weet waar die zit en jij gaat mij zoveel ton betalen en jij gaat al die centen die ik kwijt ben aan die...aan die...aan die verliezer, die ga je maar terug betalen. (…) Dus toen is hij gaan slaan met die stok en die stok die brak af en toen begon hij mij te prikken overal mee en...en...op den duur ehh . dat weet ik nog wel, van en ga op je knieën zitten, ik was al zover weg natuurlijk, die...die ...die...is gaan trappen, mijn licht is uitgegaan. Ik werd op den duur wel wakker en toen had hij een mes, toen lag mijn vinger op een plank en...en...en...ja, toen waren ze...toen probeerden ze mijn vinger zeg maar zo'n plank met zo’n broodmes (…)”.
De mishandeling van [naam 3] in zijn bedrijf [naam 23] heeft plaatsgevonden op 24 september 2014 en de dag dat [naam 3] naar de woonwagen van verdachte [medeverdachte] moest komen was de dag erop, 25 september 2014. Volgens [naam 3] heeft hij verdachte [Verdachte] op 27 februari 2015 voor het laatst gezien.
Uit medische informatie blijkt dat in het ziekenhuis werd geconstateerd dat bij [naam 3] sprake was van een gedisloceerde fractuur, zygoma (jukbeen) links, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank zwaar lichamelijk letsel oplevert. [naam 3] heeft een operatie moeten ondergaan en ondervindt ook nu nog, 4 jaren later, hinder van de mishandeling. Het geconstateerde letsel past ook bij de verklaringen van [naam 3] dat hij tegen zijn hoofd is geschopt en in zijn gezicht is geslagen.
In een telefoongesprek met de politie heeft [naam 22] aangegeven dat hij, nadat hij een paar dagen weggeweest was, thuis [naam 3] aantrof. Hij zag dat [naam 3] flink was toegetakeld en amper naar het toilet kon lopen. Zijn halve gezicht was opgezwollen. [naam 3] werd ook elke keer duizelig. [naam 22] was geschrokken hoe [naam 3] eruitzag. Omdat hij dacht dat [naam 3] een zware hersenschudding had is hij met hem naar het ziekenhuis gegaan. Daar bleek dat [naam 3] botbreuken had opgelopen. Vlak na de toetakeling van [naam 3] maakte hij een afspraak met verdachte [Verdachte] , echter deze wilde niet horen wat hij te zeggen had.
De verdediging heeft omtrent het letsel nog aangevoerd dat [naam 3] regelmatig thuiskwam met een blauw oog als gevolg van het sparren met [naam 22] . Daarbij is onder meer gewezen op de verklaring van de ex-partner van [naam 3] .
De rechtbank overweegt dat [naam 22] hierover heeft gezegd dat je bij het sparren wel eens een blauw oog op kon lopen, maar dat dat absoluut niet te vergelijken was met de verwondingen die [naam 3] had opgelopen; zelfs bij een normale wedstrijd werd niemand zo toegetakeld.
Bovendien, gelet op de tijdslijn zoals geschetst door [naam 3] en de datum van opname en behandeling in het ziekenhuis, is de rechtbank van oordeel dat het letsel waarvoor verdachte in het ziekenhuis is opgenomen, kort daarvoor moet zijn ontstaan. Dit ondersteunt de verklaring van [naam 3] dat het letsel is veroorzaakt op 25 september 2014.
De rechtbank wenst over het letsel nog het volgende op te merken. De officieren van justitie hebben het bewijs voor zware mishandeling mede gebaseerd op een rapport van het NFI. De verdediging heeft vrijspraak bepleit mede onder verwijzing naar een rapport van het IFS. De rechtbank gebruikt beide rapporten niet voor het bewijs. Beide rapporteurs hebben zich onder meer uitgelaten over het slaan met een stok. Het slaan met een stok maakt echter geen onderdeel uit van de tenlastelegging inzake zware mishandeling. Dit slaan met een stok maakt wel onderdeel uit van de tenlastegelegde afpersing, echter verdachte kan bij die afpersing gebruik hebben gemaakt van een stok zonder dat dit het hiervoor vermelde letsel heeft opgeleverd. Voor afpersing is ook niet vereist dat geweld is gevolgd door letsel.
Op basis van de hiervoor aangehaalde informatie uit het ziekenhuis stelt de rechtbank vast dat de door verdachte en de medeverdachte gepleegde geweldshandelingen, bestaande uit het met kracht schoppen of trappen tegen het hoofd en stompen/slaan in het gezicht, hebben geleid tot het hiervoor aangehaalde letsel.
Door getuige [naam 24] is aangegeven dat hij werkzaam is geweest voor [naam 3] en dat hij in de periode van half september tot november 2014 heeft gewerkt aan een Mercedes van “ [Verdachte] ” (de rechtbank begrijpt: verdachte [Verdachte] ). Nadat verdachte [Verdachte] en [naam 3] een woordenwisseling kregen over deze auto is [naam 24] weggelopen. Over een mishandeling kan hij niets verklaren, wel heeft hij gehoord dat [naam 3] is geopereerd en dat hij 2 weken niet op de zaak is geweest. Dat was in de periode dat hij aan het sleutelen was aan de Mercedes.
Door de verdediging is aangevoerd dat onduidelijkheid bestaat over het bedrag van € 9.500,= waarover [naam 3] heeft verklaard.
De rechtbank ziet echter geen reden om aan de juistheid hiervan te twijfelen. Op 25 september 2014 is van de rekening-courant van [naam 23] het bedrijf van [naam 3] , in totaal € 4.500,= opgenomen bij de Rabobank in Bergen op Zoom. Op diezelfde dag is van de rekening van [naam 3] zelf een bedrag opgenomen van € 5.000,=.
Dit bedrag wordt ook bevestigd in een door [naam 3] opgenomen gesprek. Op een onder [naam 3] inbeslaggenomen USB-stick staat een aantal opgenomen gesprekken. De naam van één van de bestanden luidt: “ [medeverdachte] opgenomen op 28-10-14”. Verbalisanten herkennen de stemmen van de 2 mannen als die van [naam 3] en verdachte [medeverdachte] In dit gesprek zegt [naam 3] : “Ik had 9 en een half duizend euro over. Die hebben jullie”. Verdachte [medeverdachte] reageert hierop door te zeggen: “Ja” en “je hebt 9 en een halve rug betaald”.
In ditzelfde gesprek zegt verdachte [medeverdachte] :
“Je moet gewoon 10 duizend 500 euro betalen”,
“Maat, luister even, ik ga je een ding vertellen (…) Ja dan moet je heel snel voor zorgen anders krijg je wel ellende. Dat geef ik je gewoon zo door [naam 3] dat is heel lullig dat ik het zo door moet geven maar het is niet anders maat”,
“Ik heb het nog netjes proberen op te lossen maar ze waren met jou hele andere dingen van plan”,
“Ja Ja daarvoor vinden ze wel eens iemand langs de weg...snap je keeltje er af en zo”,
“Ik zal hem zelf langs sturen dan mag je het hem zelf uitleggen dan kunde het beter met mij afregelen”,
“Nee er moet gewoon flink betaald worden. Beetjes beetjes helpen niet” en
“Maat luister ik stuur hem zelf maar langs. Ga je lekker met hem zelf. goed moet je gewoon lekker tegen hem zeggen dat ze maar twee handjes hebben”.
[medeverdachte] zegt in dat gesprek ook: “Die Audi is weggegaan voor 35 rooien. Die boot kan weg voor 45 rooien.”
Op deze USB-stick is nog een opgenomen gesprek aangetroffen tussen deze twee personen, gevoerd op 12 februari 2015. In dat gesprek zegt verdachte [medeverdachte] tegen [naam 3] :
“Ja, nou jij mag [Verdachte] spreken. We gaan dat van de week even oplossen. Je mag het ook met mij oplossen (…)” en “”doe in ieder geval reageren. Reageer op ons. Want je hoef je eigen niet weg te douwen, dat heeft helemaal geen zin”.
Ook een tussen verdachte [Verdachte] en [naam 3] gevoerd gesprek is aangetroffen of de USB-stick. Verbalisant herkent daarbij de stemmen van verdachte [Verdachte] en [naam 3] . Het gesprek heeft plaatsgevonden op 13 februari 2015. In dit gesprek zegt verdachte [Verdachte] :
“Ik weet in hoeverre jij ermee te maken had. Jij had niks met diefstal te maken want anders had je nou dood geweest he. Dood he”,
“anders was je nou een doodskist he. Dood he! (…) Nee, ik ga je nou wat uitleggen. Ik sta hier niet voor een doodskist. (…) Iedereen die van mij steelt, maak ik dood, heel simpel. En je weet helemaal niet wie ik ben”,
“een week lang hebben ze jou te pakken. Een week lang. Ik krijg nog 10.000 euro van jou, die kleine van jou... .geen probleem..”,
“Moet je zorgen dat er geld komt jongen. Je hebt hokken zat, je hebt dingen zat”,
“Geef mij die bus… ruggen waard” en
“Ik laat jou met rust. Jij regelt die bus. Jij regelt dat kenteken op die auto en ik ben er klaar mee. Heel simpel.”.
In de gsm van [naam 3] is daarnaast nog een aantal sms-berichten aangetroffen.
Op 26 september 2014:
“reageer maat”
“Ik ben nu in het ziekenhuis ga maandagochtend de boot halen staat tie maandag om 13 klaar”
“Als je klaar ben daar wil ik je even zien”
“Ik wil je zien”
“op welke afdeling ben je dan kom ik naar jou”
Op 29 september 2014:
“Hoelaat kan ik je zien grt [medeverdachte] ”
“Ik word geopereerd”
“Lig die boot klaar maatje”
Deze berichten zijn afkomstig van een persoon die in de contactlijst op de telefoon van [naam 3] voorkomt als “ [medeverdachte] ”, zodat de rechtbank ervan uitgaat dat dit verdachte [medeverdachte] is.
Op 29 september 2014:
“Hoe laat heb je tijd en hoe laat is de boot er grt [Verdachte] ”
“ik word geopereerd”
“Oke waneer ben je terug”
“Hoi maat al geopereerd alles goed gegaan? Grt [Verdachte] ”
Op 2 oktober 2014:
“Hoi zit het maat het word nu wel tijd dat ik je zie he”
“Zorg dat ik morgen het kopie van de auto op kan halen”
Deze berichten zijn afkomstig van een persoon die in de contactlijst voorkomt als [Verdachte] .
Op 2 oktober 2014 volgt er nog een bericht:
“vuil kanker flikertje als jij niet heel snel alles regel dan weet ik waar je zit ik kom daar langs en ik trek ook alles uit je garage tod de laatste sleutel als jij niet snel kom dan gaan we er van uit dat jij het niet wil regelen dan word het geregeld deze foon ga nu uit”.
Gelet op met name de inhoud van dit laatste bericht gaat de rechtbank ervan uit dat ook dit bericht, evenals de twee voorgaande, door verdachte [Verdachte] is verzonden.
Door de verdediging is ten aanzien van de tenlastegelegde afpersing gewezen op een alternatief scenario. [naam 3] heeft verklaard dat hij al het geld en de goederen moest afstaan aan de verdachten. Door de verdediging is gewezen op de omstandigheid dat [naam 3] in een echtscheiding verwikkeld was en dat hij daarom zelf goederen verduisterde om zodoende beter uit zijn echtscheiding te komen. De rechtbank overweegt hierover dat het dossier, behoudens de verklaringen van beide verdachten, onvoldoende aanknopingspunten bevat voor het geschetste scenario. Anders dan de verklaringen van beide verdachten, vinden de verklaringen van [naam 3] , zoals hiervoor is overwogen, wel in voldoende mate steun in andere bewijsmiddelen.
Verder heeft de verdediging erop gewezen dat het opvallend is dat de speedboot over is gegaan op naam van de moeder van [naam 3] , om vervolgens een paar maanden later weer op een andere naam over te worden geschreven. Met betrekking tot de tenlastegelegde afpersing ziet de rechtbank de relevantie hiervan niet. Verdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat de boot weg kon voor € 45.000,=. Uit gegevens van de RDW blijkt inderdaad dat de boot tot 28 april 2014 op naam van [naam 3] heeft gestaan. Dat de boot vervolgens tot 24 oktober 2014 op naam heeft gestaan van [naam 25] , de moeder van [naam 3] , en daarna tot 9 januari 2015 op naam van [naam 26] en vanaf laatstgenoemde datum op naam van [naam 27] betekent niet dat die boot geen object van afpersing onder [naam 3] kan zijn geweest. Dat verweer treft dan ook geen doel.
Ten aanzien van de bestelauto, de Opel Vivaro, is door de verdediging gesteld dat dit voertuig in goed overleg is overgegaan van [naam 3] naar verdachte [Verdachte] . Gelet op de geuite bedreigingen, zoals hiervoor al aangegeven, is dit onaannemelijk, temeer nu de rechtbank ervan uitgaat dat in het geheel geen sprake is geweest van een lening van € 100.000,=. Uit het gesprek tussen verdachte [Verdachte] en [naam 3] op 13 februari 2015 blijkt ook allerminst van ‘goed overleg’.
Anders dan de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de door verdachten gebruikte bewoordingen wel degelijk zijn aan te merken als bedreigend. De gebruikte bewoordingen zijn, in combinatie met de eerder gepleegde mishandelingen zonder meer bedreigend. De rechtbank is van oordeel dat gelet op de combinatie van woorden met de eerder gepleegde mishandelingen, bij [naam 3] in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat hij bij een confrontatie met de verdachten daadwerkelijk (opnieuw) zou worden mishandeld of zou worden gedood. De in deze zaak gebruikte bewoordingen zijn naar het oordeel van de rechtbank zeker niet te vergelijken met de bewoordingen die zijn gebruikt in de zaak waar de verdediging naar verwezen heeft (ECLI:NL:HR:2018:909). Het verweer dan ook geen doel.
Conclusie
De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat [naam 3] is afgeperst, zwaar is mishandeld en is bedreigd.
De rechtbank is verder van oordeel dat de verdachten de feiten in het onderzoek Jonkoping tezamen hebben gepleegd omdat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen hen.
Verdachte [medeverdachte] wist dat er sprake was van een conflict tussen verdachte [Verdachte] en [naam 3] . Met die wetenschap heeft [medeverdachte] [naam 3] naar zijn woning gelokt, in welke woning vervolgens [naam 3] zwaar werd mishandeld door verdachte [Verdachte] . Ook verdachte [medeverdachte] heeft zich daarbij niet onbetuigd gelaten, ook hij heeft [naam 3] immers in het gezicht geslagen. Nadat [naam 3] een bedrag van € 9.500,= van zijn rekening had opgenomen, was het verdachte [medeverdachte] die dat bedrag kwam ophalen op het bedrijf van [naam 3] . Ook is verdachte [medeverdachte] betrokken geweest bij het ophalen van de boot met trailer.
Zowel verdachte [Verdachte] als verdachte [medeverdachte] heeft bedreigingen geuit. Ook nadat [naam 3] in het ziekenhuis was beland, hebben beiden druk op [naam 3] uitgeoefend door hem te sms-en.
Met de verdediging heeft de rechtbank geen feiten en omstandigheden kunnen vaststellen die duiden op voorbedachte rade ten aanzien van de tenlastegelegde zware mishandeling. In zoverre wordt verdachte vrijgesproken.

4.4 ONDERZOEK APOLLO

4.4.1 Het standpunt van de officieren van justitie
De officieren van justitie achten wettig en overtuigend bewezen dat verdachte hetgeen hem is tenlastegelegd onder feit 3 en 4 (gewoontewitwassen en valsheid in geschrift) heeft gepleegd, met uitzondering van de lening van [naam 28] en de Opel Combo.
Uit het dossier rijst een beeld op van een redelijk geslaagde poging om door middel van veel (schijn-) constructies illegale geldstromen een legaal vernislaagje te geven. Uit onderzoek is gebleken dat het bedrijf van verdachte en het dagelijks leven van verdachte en zijn gezin contant gefinancierd wordt. Van een legaal startkapitaal voor de handel van verdachte is niet gebleken. Gaten in de boekhouding lijken te zijn gevuld met (fictieve) leningen.
Het tenlastegelegde witwassen van auto’s dient bezien te worden tegen de achtergrond dat er in 2007 geen beginkapitaal van belang voorhanden was, dat alle handel contant heeft plaatsgevonden, dat er fictieve leningen zijn vermeld in de administratie, kennelijk om “legaal” kapitaal te generen, dat de kas wordt gevoed met grote en kleinere bedragen zonder duidelijke herkomst en dat auto’s zogenaamd worden verkocht aan derden die die auto’s nooit hebben betaald.
De officieren van justitie menen dat sprake is van één grote witwasmachine.
Het standpunt van de officieren van justitie ten aanzien van de afzonderlijke leningen en voertuigen wordt hierna weergegeven voor zover een standpunt is ingenomen ten aanzien van die afzonderlijke onderdelen.

4.4.2 Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen.
De kasopstelling mag bij de bewijsbeoordeling geen rol spelen omdat die kasopstelling in het einddossier nog een voorlopig karakter heeft. Van een negatieve kasopstelling kan thans niet gesproken worden, zodat er geen basis bestaat voor de bewijstechnische vooronderstelling dat verdachte een verborgen crimineel vermogen had waarvoor hij een gefingeerde inkomstenbron zou hebben gecreëerd. Dit brengt met zich dat per afzonderlijk tenlastegelegd witwasvoorwerp zal moeten worden beoordeeld of de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen. Als dat het geval is, zal vastgesteld moeten worden of een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden. Als sprake is van geld of goederen die van enig misdrijf afkomstig zijn, zal tevens de vraag gesteld moeten worden van welke partij dat beweerdelijke criminele geld dan afkomstig is.
Het standpunt van de verdediging ten aanzien van de afzonderlijke leningen en voertuigen wordt hierna weergegeven.

De tekst gaat verder: De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken

Aangehaald in

Verbonden uitspraken